Naar inhoud springen

Pagina:Stedman, Reize naar Surinamen en Guiana Vol 3 (1800).pdf/295

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

den geven aan de andere Negers een feest, het welk eerst den volgenden dag eindigt. Tot een teeken van rouwe, scheeren mannen en vrouwen zig het hoofd, en omwinden het met een blaauwen doek, dien zy het geheele jaar dragen. Wanneer dit jaar verstreken is, gaan zy weder naar het graf; zy leggen aldaar de laatste offerhanden neder; zy zeggen den overledenen als nog vaar wel; vervolgens vieren zy een ander feest, en het zelve eindigt met een vrolyken dans, en lofzangen ter eere van den nabestaanden of vriend, die hen verlaten heeft.

'Er is geen volk, waar van de byzondere persoonen, die het zelve uitmaken, meerder achting en vriendschap jegens elkander gevoelen, dan de Neger-slaven. Zy schynen verrukt te zyn, wanneer zy zig by elkander bevinden, en zy zyn nimmer van vermaken uitgeput, om elkander het gezelschap te veräangenamen. Eene zekere vrolykheid, welke zy Soesa noemen, bestaat in het springen tegen over zynen dansser of dansseresse, de handen op de heupen slaande, om de maat te houden. Zy zyn op dit zoort van oeffening zoo heet, dat dezelve dikwils met zeven of agt paaren danssers te gelyk plaats heeft, het geen, door het te groot geweld, den dood van verscheiden