noord-oost-waarts genomen hebbende, doorwaadden wy, des morgens van den 22sten, het moeras; en tegen den middag bereikten wy wederom het drooge; vervolgens, na nog één uur te zyn voorwaarts getrokken, gingen wy naar den westkant. Wy ontmoetten aldaar een groot veld, met ignames beplant, het welk wy verwoestten. Dit gedaan hebbende, trokken wy lynrecht voort, en sloegen ons neder op het oud verblyf der Negers, Cofaay genaamd. Het gebrek aan water deed ons verschrikkelyk lyden. De slaven echter vonden middel, om ons hier water te bezorgen; en hoe stinkend het ook wezen mogt, dronken wy het zelve, na het door onze hembds-mouwen te hebben laten doorloopen.
In weerwil van de onaangenaamheden van deezen tocht, onderzocht ik de volgende boomen, door my nog niet beschreven: de Carnavatepy en de Berklack, waar van het hout zeer dienstig is. Het eerste heeft heerlyke zwarte en bruine streepen: het gelykt zeer veel naar het geen men Brasilisch hout noemt; en wanneer het bewerkt wordt, verspreidt het een geur, welke voor die van den nagelbloem niet behoeft onder te doen. Het tweede heeft eene bleek ronde of violet kleur; het is insgelyks geschikt tot alle werk, waar toe men het gebruiken wil. Men bood my ook een