Saby, alwaar wy, naauwlyks nedergezeten zynde, om van de vermoeienis van onzen tocht een weinig uitterusten, in ons midden zagen verschynen eenen ouden Neger, hebbende een langen witten baard, en een stuk van een sabel in de hand. Ik stond dadelyk overëind, en aan een ieder, wie hy ook wezen mogt, verbiedende op hem te schieten, zeide ik hem dichter by te komen, hem verzekerende, dat niemand van de geenen, die onder myn bevel stonden, hem zoude durven mishandelen, en dat ik hem zelfs alle hulp zoude toebrengen, die hy benoodigd mogt hebben. — "Neen, neen. Massera! antwoordde hy my met zeer veel standvastigheid"; en met het hoofd schuddende, liep hy weg. Onaangezien myne beveelen, wierd door twee van myne soldaaten op hem geschoten; maar tot myn groot genoegen raakten zy hem niet. Deeze elendige omzwerver zogt een onzeker bestaan in die verlatene velden, welken wy meer dan eens verwoest hadden. — De reden, waarom de Negers zoo moeielyk met een kogel te raken zyn, bestaat hier in, dat zy nooit in eene rechte lyn, maar altyd kronkels-gewyze, loopen.
Overëenkomstig myne beveelen, verwoestte ik Cofaay, en deszelfs omtrek, op nieuw, maar het deed my echter leed, om des ouden Negers wille.