zig zeer gerust op Paramaribo bevond. De Officiers van dit volk berigtten ons, dat eenige andere muitelingen, aan den kant van de Rivier Maroni, gevangen genomen waren. Wy behaalden zulk een voordeel niet, schoon wy van alle kanten geduurig ronden deeden.
Den 29sten, eindelyk, wierpen zes schepen, beladen met een gedeelte van het krygsvolk, het welk uit Holland was aangekomen, het anker tegen over onze legerplaats. Ik kon niet nalaten de ongelukkigen, die zig met ons vereenigden, te beklagen, en dit was niet zonder reden, dewyl verscheiden van hun reeds door de scheurbuik, en andere akelige ziekten, waaren aangetast. Intusschen bouwden wy een oven van steen, en deeden al wat wy konden, om hun hulp te verschaffen. Een zekeren voorraad van wyn ontfangen hebbende, onthaalde ik tevens alle de Officiers; maar deezen drank den Capitain P — T naar het hoofd gevlogen zynde, daagde hy my, wegens een kwalyk verstaan, tot een tweegevecht uit. Wy gingen dus een weinig ter zyden van de legerplaats; en toen wy den sabel in de hand hadden, trok deeze Officier af met een schaterenden lach, wierp zyn wapentuig weg, en zeide my: "Dat ik hem konde afrossen, zoo ik wilde; maar dat hy te veel achting voor my had, om my