krygen, hun nest verlaten en rond vliegen, even als zommige andere mieren, zoo in Europa, als in America.
De krygstucht was toen zoo gestreng in het leger, dat ieder, die het minste gerucht maakte, zwaar gestraft wierd, en zelfs gedreigd, om te worden doodgeschoten. De schildwachten hadden last, om van de aankomst van rondes alleenlyk door fluiten bericht te geven, en men beantwoordde hun op gelyke wyze.
Een van onze soldaten, den 18den, veroordeeld zynde geworden, om door de spitsroeden te loopen, vermits hy hard gesproken had, vond ik middel, by afwezigheid van den Colonel FOURGEOUD, om hem vergiffenis te doen verkrygen, op het zelfde oogenblik, dat hy reeds uitgekleed was, om zyne straf te ontfangen.
Den 23sten, ontfing ik verschen voorraad en wyn, my van Paramaribo gezonden; alles kwam zeer ter sneede. Den zelfden dag kwam de Colonel FOURGEOUD met zyne manschappen van zynen tocht naar de Rivier Maroni te rug. Hy had negen en vyftig huizen verwoest, en drie bebouwde velden vernield. Op die wyze wierd zekerlyk aan de muitelingen de doodsteek toegebragt, daar zy, geen middel meer hebbende, om aan deeze zyde der Rivier te kunnen bestaan,