Naar inhoud springen

Pagina:Stedman, Reize naar Surinamen en Guiana Vol 3 (1800).pdf/87

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

behalven dat ze veel aanzien en eerbied verwekte, bezorgde aan haaren uitvinder een gemakkelyk leven, het welk in eenen Surinaamschen Neger niet zeer gemeen is.

Ik zag, aan den mond van deeze Kreek, eene groote meenigte Acajou-nooten op het water dryven. By de beschryving, daar van door my reeds gegeven, moet ik nog voegen, dat de noot van deezen naam zig aan eene groote peer vormt, en dat deeze aan een boom groeit van middelmatige grootte, die een gryze schors, en dikke en breede bladen heeft. Men kan deeze uitmuntende nooten door alle de werelddeelen vervoeren; want zy blyven eenen zeer langen tyd goed: zommige Schryvers noemen dezelven anacardium occidentale. Uit den boom druipt eene doorschynende gom, die, in water ontbonden zynde, de dikte van vogellym heeft.

Ter deezer zelfde plaats proefde ik ook den Eta-appel, waar van de Negers ongemeen veel houden. De boom, die denzelven voortbrengt, is een zoort van palmboom met breede bladeren, maar minder dik, dan de Mauricy, of den berg-palmboom. Deszelfs vruchten zyn rond, en groeien aan groote risten of bossen, even als de druiven-trossen: binnen in eiken appel zit een harde noot, die een pit in zig bevat, en met een