dadelyk op hem; wy raakten hem niet, maar zyn mand viel. Wy vonden daar in een dozyn fraaije servetten, een opgetoomden hoed met een goude lis, en twee rokken van kostelyke chits. Ik nam de laatstgemelden, en liet het overige aan mynen medgezel.
Op de tyding van het gevaar, het welk de Plantagiën aan de Peréca liepen, trokken de Neger-Jagers met een ongemeenen yver voor uit; en eenige oogenblikken na hun vertrek, verzogt ik aan den Colonel SEYBOURG verlof, om hen te volgen. Deeze Officier gevraagd hebbende, wie lust had mede te trekken, boodt zig een groot getal aan; maar hy koos 'er alleenlyk vier uit, en ik was onder dezelven. Dwars door struiken en doornen, die als netten in malkander zaten, en die my de voeten op eene verschrikkelyke manier van één scheurden, gegaan zynde, haalde ik de afgezondene manschappen in, op den afstand van een myl van de legerplaats. Kort daar op ontdekten wy dertien geheel nieuw opgeslagene hutten, en wy gisten, dat de muitelingen kortlings deeze plaats waren doorgetrokken. Dienvolgende zond ik aan den Colonel SEYBOURG daar van berigt, en verzogt voor de Jagers en voor my bevel, om onverwyld naar de Peréca te trekken; maar zyn antwoord bragt stellig mede, om ons oogenblik-