Naar inhoud springen

Pagina:Stedman, Reize naar Surinamen en Guiana Vol 3 (1800).pdf/90

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

kelyk by hem te vervoegen. Wy keerden derhalven langs onzen voorigen weg te rug; het geen ons tot groot hartzeer verstrekte; de Neger-soldaten waren vooral zeer misnoegd, en maakten duizend onaangenaame aanmerkingen.

By onze aankomst op de legerplaats, vonden wy aldaar eene versterking, van den post van Jerusalem komende. Dezelve bestondt uit zestig mannen, zoo zwarten, als blanken, en bragt ons stelligen last mede, om het leger op te breken, en des anderen daags morgens naar de Peréca te trekken. Den geheelen nacht bevondt zig eene goede meenigte volks in hinderlagen.

Den volgenden dag was ieder voor het opkomen der zon gereed, en echter verlieten wy onze legerplaats zeer laat. Geduurende dit onbegrypelyk verwyl vernamen wy, dat men een kano, waar in alleenlyk één Neger was, de Rivier had zien oversteken. Het was waarschynlyk die arme schelm, op wien ik des avonds te vooren geschoten had.

Ik kan niet nalaten alhier eene zeer zonderlinge omstandigheid te verhaalen. Des morgens ten vier uuren ontwakende, was ik uittermaten verschrikt, toen ik my in gestolt bloed vond liggen, hoe zeer geene de minste pyn gevoelende. Ik stond oogenblikkelyk op, en liep met een toorts in de hand