Naar inhoud springen

Pagina:Stedman, Reize naar Surinamen en Guiana Vol 3 (1800).pdf/97

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

moeras doorwaden. Ik voerde toen het bevel over de agterhoede, en had drie uuren noodig, om dezelve van deeze naar de overzyde te geleiden. Deeze tocht was allerverdrietelykst. De slaven, onder hunne pakken gebukt gaande, braken elk oogenblik de korst, die over het water lag. De Zee-soldaaten, met hunne mondbehoeften belaaden, hadden zeer veel moeiten om zig op de been te houden, en ik zelf, door de groote meenigte bloed, welke ik verlooren had, verzwakt zynde konde aan niemand van dienst wezen. Toen wy weder den vasten grond bereikt hadden, zag ik aldaar de lyken van verscheiden muitelingen verspreid liggen, aan elk van welken de regte hand en het hoofd was afgehouwen. Deeze lyken waren nog niet verrot, het geen my deedt vermoeden, dat 'er in 't kort eenig gevecht tusschen de muitelingen, en het krygsvolk, aan de Peréca leggende, had plaats gehad. — Ik moet hier opmerken, dat, indien men den 21sten, in plaats van my te gelasten om te rug te komen, en de Jagers weder mede te brengen, ons had toegestaan voorwaarts te gaan, de muitelingen tusschen twee vuuren zouden geraakt zyn, 'er zeer weinigen van hun zouden zyn ontsnapt, en wy hunnen buit zouden hebben hernomen. De lezer zal zig herinneren, dat dit zelfde voorval plaats had, toen