ik, twee jaaren te vooren, te Devil's Harwar het bevel voerde. Indien ik toen een genoegzaam getal manschappen en krygsbehoeften tot den tocht gehad had, zoude ik aan de Volkplanting den gewichtigsten dienst gedaan hebben. Het spyt my deeze twee wezentlyke misslagen te moeten aanhaalen; maar waarheid en onpartydigheid verpligten 'er my toe. Deeze aanmerkingen echter behooren my niet van wreedheid te doen beschuldigen, want niemands hart was meer getroffen dan het myne, op het zien van zo veele jongelingen, die onder het ons omringende geboomte dood uitgestrekt lagen. Myn oog viel in 't byzonder op twee van hun, die zoo wel gemaakt waaren, als men ze met mogelykheid bedenken kan.
Terwyl ik met het maken van deeze en andere gelykzoortige aanmerkingen bezig was, bleeven verscheiden slaven, die te zwaar belaaden waren, in het moeras zitten. De bevelhebbende Officier, met het voornaamste gedeelte zyner manschappen zig op een hoog stuk land nedergeslagen hebbende, konde ons niet meer zien, noch hooren; en door deeze scheiding liep de agterhoede gevaar, niet alleen om haare mond- en krygs-behoeften te verliezen, maar om zelfs in de pan gehakt te worden.
Geenen enkelen Europeaan vindende, die kragten genoeg had overgehouden, om het volk, het