Naar inhoud springen

Pagina:Stedman, Reize naar Surinamen en Guiana Vol 4 (1800).pdf/102

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

naamer voor den nieuwen Planter, die zig aldaar nederzet. Myne Plantagie is omtrent drie vierde van een myl van den mond der Rivier af gelegen, en ik houde my verzekerd, dat noch ik, noch myne gebuuren, zoo veel koffy als tegenwoordig niet zouden inöogsten, indien onze aanleg afgescheiden, en op zig zelfstaande, in de diepte der bosschen was gemaakt, en ik ben inwendig overtuigd, dat onze oogst merkelyk bevorderd wordt, doordien de bosschen, aan den oostkant van den mond der Rivier, byna geheel en al zyn weggehakt, en alle de Plantagiën van beneden af, tot by my, open zyn, of van het zwaare hout beroofd, ter diepte van vier honderd en vyftig, tot zes honderd vyftig roeden[1]. Bewyst de ondervinding dit niet overal? Het klein getal Plantagiën in de Berbices, aangelegd op lage landen aan de Maripaan, aan den westelyken oever der Rivier, en alzoo het genot hebbende van de passaatwinden, die door den breeden mond van die Rivier onbelemmerd heen waaijen, maakt jaarlyks voordeelige oogsten; en een oud Surinaamsch Colonist, een zeer goed Planter, schryft my, dat

  1. De Hollandsche roede is van 12 voeten Rhynlandsche maat, het welk ten naasten by 11 Fransche voeten. (of 3 metres, 572,) uitmaakt.