Naar inhoud springen

Pagina:Stedman, Reize naar Surinamen en Guiana Vol 4 (1800).pdf/113

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

of grond vast en bekwaam genoeg vindt, laat men dezelve op den dyk werpen, het zy in eens, het zy in twee keeren, zoo als gewoonlyk plaats heeft, om reden, dat men tusschen den dyk en de omringende grachten een tusschenvak moet laten van 20 of zomtyds 30 voeten. Indien men deeze voorzorg verzuimde, zoude men gevaar loopen, om de kanten van den dyk, en van de grachten, door de onmatige zwaarte van de aarde, waar van de dyk gemaakt is, spoedig te zien instorten.

Men graaft de omringende grachten tot de vereischte diepte, die niet altyd dezelfde is, maar waar van de gewoone maat bedraagt zes voeten voor de binnen-gracht: men moet wel opletten, om aan deeze gracht de noodige opgaande schuinte te geven, naar mate men dezelve graaft. De evenredigheid van deeze opgaande schuinte is van 5 of 6 duimen van elke voet; en naar mate men de kanten van deeze gracht in die schuinte graaft, maakt men dezelve met het platte van de schup effen en gelyk.

Men zoude vervolgens deeze binnen-gracht kunnen eindigen, zonder andere voorzorgen in acht te nemen; maar dan zou men gevaar loopen, om door het hooge water overvallen te worden, en daar door veel tyd te verliezen; behalven dat