omtrent twee uuren, en met den geheelen toestel aan het pellen beginnen: terwyl de sterkste Negers daar mede bezig zyn, plaatsen de anderen de Koffy op den met steenen belegden vloer op hoopen. Zy brengen ze vervolgens in eene groote kist of laade aan, waar uit men ze telkens om te pellen uitneemt. Men moet dit altyd zoodanig verrigten, dat de Koffy voor vier uuren van den vloer is: ik heb opgemerkt, dat wanneer de zon tot vyf-en-veertig graaden van den gezicht-einder gedaald is, de warmte zoodanig vermindert, dat de Koffy op het gevoel koud wordt; maar wanneer zy in eene groote lade gelegd is, behoudt zy haare warmte zeer lang.
De Koffy, op deeze wyze wel gedroogd, en warm gepeld zynde, breekt niet aan stukken, en wordt nimmer plat; zy verliest dan gewoonlyk het vlies, het welk tusschen de schil en de boon gevonden wordt. Wanneer zy uit den molen koomt, laat ik ze dadelyk wannen: andere Planters wannen ze eerst des anderen daags. Indien men ze op den zelfden dag want, wint men veel tyd uit: na de wanning brengt men ze op de plaats, die tot de uitzoeking geschikt is.
Ik heb twee groote zeeften van koper: eerst laat men de gepelde Koffy doorgaan door die zeeft, welke de grootste openingen heeft; men