Naar inhoud springen

Pagina:Stedman, Reize naar Surinamen en Guiana Vol 4 (1800).pdf/209

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

eenen afstand van één of twee mylen hoort men een vervaarlyk geraas, het welk de pororoca aankondigt. Naar mate deeze verschrikkelyke vloed nadert, vermeerdert het geraas, en weldra ziet men een berg van water, van twaalf of vyftien voeten hoogte, daar op een tweeden, vervolgens een derden, en zomtyds een vierden, die elkander ylings volgen, en byna de geheele breedte van het Kanaal beslaan. Deeze golven naderen met eene onbegrypelyke schielykheid, en deiningen, en loopen over alles heen, zonder iets te wederstaan. Op zommige plaatsen ziet men groote streeken lands, door de pororoca weggespoeld, zeer dikke boomen worden 'er door uit den grond gerukt; zy veroorzaakt verwoestingen van allerleijen aart. De oever der zee, waar over zy heen gaat, is zoo schoon, als of dezelve met een bezem zindelyk was aangeveegd. De booten, de praauwen, de schepen zelfs hebben geen ander middel, om zig tegen de woede van deeze branding te beveiligen, dan door op een plaats te ankeren, alwaar veel slykgrond is. DE LA CONDAMINE, na op verschillende plaatsen de oorzaken van dit verschynsel onderzogt te hebben, ontvouwt het zelve in deezer voegen, dat hy het niet heeft zien gebeuren, dan wanneer het wassend water, in een naauw kanaal inloopende, een zand-bank of