staan. De Maroni is eene groote en schoone Rivier. 't Is waar, verscheide Eilandjes vernaauwen derzelver bed, meer dan twaalf mylen verre, maar zonder de scheepvaart te belemmeren, zoodanig dat men met kleine vaartuigen tot aan den eersten waterval, die omtrent twintig mylen van den mond der Rivier af ligt, kan opvaaren. Boven deezen eersten waterval, vindt men verscheide anderen, die de scheepvaart zeer moeijelyk maaken. Men zegt, dat men meer dan veertig dagen noodig heeft, om tot derzelver oorsprong te komen. Anderen beweeren, dat dezelve nog niet bekend is, dat deeze Rivier van zeer wyd af ontspringt, en dat men dezelve meer dan tachtig mylen is opgevaaren, zonder dien oorsprong te ontdekken. Omtrent vyftig mylen van derzelver mond af, ontlast zig eene zeer schoone Rivier in dezelve, komende van den zuid-oost kant, en de Rivier der Arouas genaamd. In 't jaar 1731 en 1732, voer men de laatstgemelde meer dan vyf-en-twintig mylen ver op; vervolgens verliet men haar, om den weg te nemen over de landen naar den zuid-oost kant; en na verloop van agt dagen, geduurende welken men rekende 35 of 40 mylen te hebben afgelegd, begaf men zig naar de Rivier Camopy, die zig in de Oyapoc ontlast. Het
Pagina:Stedman, Reize naar Surinamen en Guiana Vol 4 (1800).pdf/223
Uiterlijk