met een koord was toegetrokken. Het kakebeen sluit zig vervolgens, het geen de doorslikking belet. De armen en beenen worden stram, en niettemin hebben 'er, verscheiden malen daags, stuiptrekkingen plaats. Deeze toevallen matten den zieken zoo sterk af, dat hy overluid schreeuwt. Men is zelfs verpligt zyn hoofd een weinig in de hoogte te houden, om hem de belemmerde ademhaling gemakkelyker te maken. Het geen hem vooral doet lyden, is een onverzadelyke honger, die hem nu en dan zoodanig dringt, dat hy alle oogenblik zoude eeten, indien men het hem maar geven wilde, en hy het vermogen van slikken had. Hier by koomt altyd koorts. Dezelve gaat gepaard met een overvloedig en algemeen zweeten; en wanneer de ziekte meer en meer verergert, sterft de lyder onder vervaarlyke stuiptrekkingen.
Om den voortgang van zulk eene ellendige kwaal te sluiten, moet men den geen, die 'er door aangetast is, verscheiden malen daags met koud water besproeijen. Men houdt daar mede aan, tot dat de ledematen hunne voorige gedweeheid hernomen hebben. Het is noodzakelyk de kragten van den zieken door goede vleeschsoepen te ondersteunen; men moet dezelven dikwils geven, maar in eene kleine hoeveelheid, en met eenige