ven zy my een bezoek; en verzogten my met hun naar Paramaribo te rug te keeren.
Het was my onmogelyk om voor de tweede maal te wederstaan aan een aanzoek, om twee voorwerpen, die aan myn hart zoo dierbaar waren, nog eens te zien. Ik stemde 'er in toe, en (moet ik het zeggen,) ik vond JOANNA, die in myne tegenwoordigheid zoo veel kragt en moed betoond had, in tranen wegsmeltende, en voor de overmaat van haare moedeloosheid zwigtende. Zy had geen voedzel, hoe genaamd, gebruikt, geen enkel oogenblik had zy de zoetigheden van den slaap gesmaakt, noch een enkel woord uitgebracht, noch zelfs de plaats verlaten, waar ik haar des morgens van den 27sten agterliet.
Dewyl de schepen eerst na twee dagen zee moesten kiezen, was ik zeer gereed om dezelven met deeze gevoelige vrouw door te brengen, het geen haar moed scheen in te boezemen: maar, helaas! wy betaalden deeze al te korte oogenblikken zeer duur. Naauwlyks waren 'er eenige uuren verloopen, toen een matroos my eensklaps kwam kennis geven, dat een sloep my wagte, om oogenblikkelyk aan boord te gaan. De moeder van JOANNA nam het kind, dat in de armen van haare dochter rustte, terwyl de laatstgemelde door Mevrouw GODEFROY ondersteund wierd. Haare broeders en