zusters omringden my, den Hemel deszelfs bystand voor my afsmeekende, en eene treurige klaagstem opheffende. De ongelukkige JOANNA, een meisje van slechts negentien jaaren oud, de oogen op my gevestigd houdende, drukte my met kragt de hand. Zy kon niet spreeken, haar geest was verwilderd; maar de tyd was daar! Ik drukte haar met drift tegen mynen boezem, en nam één van haare hairlokken. Insgelyks niet in staat zynde, een enkel woord uit te brengen, bad ik inwendig den Hemel, om voor moeder en kind te waken. Toen sloot JOANNA haare lieflyke oogen; de bleekheid van den dood overdekte haar aangezicht; haar hoofd hing naar de laagte, en zy viel beweegloos in de armen van haare aangenomene moeder. Ik verzamelde hier al myn moed en kragt by elkander, en verliet de beide voorwerpen van myne levendigste teederheid, die echter door de zorgen, omtrent haar aangewend, aan niets gebrek hadden.
Daar de sloep my steeds wagtte, ging ik, door myne vrienden vergezeld, mynen ouden Colonel bezoeken; en hem de hand drukkende, vergaf ik hem uit den grond myns harten, en stilzwygende, alle de verdrietelykheden, die hy my veroorzaakt had. Hy was aangedaan; en ongetwyffeld, dit was hy my verschuldigd! Ik wenschte