richt, dat de schoone en deugdzaame JOANNA den 5den November was overleden, en dat men haaren dood aan vergif toeschreef[1]. Men had verdenking, dat haar vergif was ingegeven uit nyd en jaloersheid, die men tegen haar had opgevat, uit hoofde van de blyken van byzondere achting, die haar van wegen haare meer dan gemeene hoedanigheden door de aanzienlykste lieden in de Volkplanting bewezen werden. Haare moeder door aanneming, Mevrouw GODEFROY, bezorgde aan haar lyk eene eerlyke begravenis in het bosjen van oranje-boomen, door haar bewoond. Het beminnelyk kind, het welk zy my agterliet, wierd my toegezonden met een bankbriefjen van twee honderd ponden sterling, zynde deszelfs byzondere eigendom, door hem van zyne moeder geërfd: zyne beide voogden overleden korten tyd daar na.
Hy wierd in het Graafschap Devon opgevoed, en muntte uit door schielyke vorderingen in zyne studiën. Hy bezat alle de goede hoedanigheden van eenen zeeman, en deed twee reizen naar de Westïndiën. In den oorlog tegen Spanje, dien-
- ↑ Haar broeder HENDRIK, die zyne vryheid verkregen had, ondervond het zelfde lot.
Aanteek. van den Schryver.