Naar inhoud springen

Pagina:Sumatra-Courant vol 014 no 059.pdf/4

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

wetten der republiek had afgehandeld.
„Kortom, zoo eindigde hij, de regeering biedt een geneesmiddel voor den toestand aan. Indien men een beter heeft, dat men ’t zegge. Ik voor mij zie geen andere uitkomst, dan een wettige, regelmatige, onbetwiste regeering, of de diktatuur.
„De diktatuur! Is dàt het, wat men wil? Ik hoû staande, dat de eerste de beste, wien ze werd aangeboden, haar aanvaarden zoû. Maar vergeet niet, dat de diktatuur der groote mannen ons ten verderve heeft gevoerd; die der kleine mannen zoû ons evenzeer verderven, doch zonder glorie.
„Men heeft ons gezegd, dat wij beschermelingen waren van ’t radikalisme, dat wij een droevig einde zouden nemen, en behalve dat dit ongelukkig wezen zoû, voegde men er bij, zoû het belachlijk zijn.
„Ik antwoord, dat men mij met een weinig meer welwillendheid en welvoegelijkheid had kunnen bejegenen.
„De hertog de Broglie vergunne mij hem met gelijke munt te betalen en hem te zeggen, dat indien de meerderheid is gelijk hij haar verlangt, ook hij zal worden beschermd. En door wie? Hij aanvaardt bij voorbaat een beschermheer, dien zijn vader met afgrijzen zoû hebben afgewezen, hij zal de beschermeling zijn van het keizerschap.”
Ongeveer twee uur lang had de man, van wiens beginselen men houde wat men wil, maar omtrent wiens gloedrijke vaderlandsliefde geen twijfel bestaan kan, het woord gevoerd. De zitting werd daarop tot twee uur geschorst. Toen trad de heer Casimir Périer op en betwistte den heer de Broglie het recht om te zeggen, dat de samenstelling van zijn ministerie een toegeven aan de radikalen was. De heer Ernoul stelde, na het sluiten der beraadslagingen, de volgende motie voor:
„De N. V., van oordeel, dat de regeeringsvorm niet in behandeling is en dat het belang des lands eischt, het land gerust te stellen door het aanvaarden eener beslist behoudende staatkunde, betreurt het, dat de jongste kabinetswijzigingen aan de konservatieve belangen niet die genoegdoening hebben gegeven, welke men recht had te verwachten.”
Deze motie werd met 360 tegen 344 stemmen aangenomen en op voorstel van Baragnon besloten, een avondzitting te houden, waarin de heer Dufaure mededeelde, dat het Ministerie zijn ontslag aangeboden en — ontvangen had. Vervolgens las de voorzitter deze boodschap voor:
„Mijnheer de president der N. V.,
„Ik heb de eer bij de N. V. mijn ontslag in te dienen als president der republiek. Ik behoef hier nauwlijks bij te voegen, dat de regeering al haar plichten nauwgezet vervullen zal, tot zij op wettige, regelmatige wijze vervangen is.

Thiers, Lid der N. V.”

Onmiddellijk daarna las de voorzitter Buffet het volgende:
„Met het oog op het ontslag van den heer Thiers, president der republiek, stellen de ondergeteekenden aan de N. V. voor, om onmiddellijk over te gaan tot de benoeming van zijn opvolger.
Get. Changarnier, de Broglie, Delille, Beulé, Ernoul, Baragnon, de Kerdrel.”
Tegenover dit, op zijn minst gezegd onwellevende en overijlde drijven, eischte de heer Georges (van de Vogeezen), dat de vergadering uitspraak zoû doen of een ontslag, ’t welk het land weigerde, zoû worden aangenomen door de vergadering. De heer Joubert zelve, een minder onbesuisd lid der rechterzij, drong er op aan, dat men althans tot den volgenden dag wachten zoû. Te Bordeaux had men Victor Hugo wel vier en twintig uur tijd gelaten! Men kon toch voor den eersten president der republiek, »voor hem die ons heeft vrijgekocht,” niet minder doen.
Maar gestemd moest en zoû er worden. Met driehonderd acht en zestig tegen driehonderd negen en dertig stemmen werd het ontslag aangenomen.
Begrijpelijk was het, dat, toen Buffet opstond om een lofrede uit-te spreken en, met de hand op ’t hart zeker! zijn leedwezen te betuigen over het aftreden van den man, dien men op zoo onwaardige, zoo ondankbare wijs over boord geworpen had; begrijpelijk was het, zeggen we dat toen de gansche linkerzij door een storm zich verhief, „welke den voorzitter der Nationale (!) Vergadering niet vergunde een enkel woord te zeggen.” Inderdaad zoû men geneigd zijn de woorden der Indépendence met instemming over te nemen:
»Thiers is dan omvergeworpen. Niets ontbrak aan zijn roem dan deze wijding van alle grootsche loopbaan: de ondankbaarheid der partijschappen, die hem niet alleen de macht verschuldigd zijn welke zij misbruiken, maar zelfs den ademtocht die haar doet leven.”
Toen het rumoer bedaarde, werd er overgegaan tot de benoeming van een nieuwen president. Driehonderd negentig stemmen wezen Maarschalk Mac-Mahon aan. De overige leden, ongeveer driehonderd zeventien dus, onthielden zich.
De zitting wordt ten 11 ure opgeheven, terwijl het bureau der Vergadering zich begeeft naar den maarschalk Mac-Mahon, om hem te verzoeken hel presidentschap der Republiek te aanvaarden.
De heer de Goulard, vice-president, die de plaats van den voorzitter tijdens diens afwezigheid inneemt, wordt met veel beteekenende toejuichingen door de meerderheid begroet.
Ongeveer des middernachts herneemt de heer Buffet zijn zetel en leest dezen brief van den Maarschalk voor:
„Mijnheeren Afgevaardigden,
„Ik gehoorzaam aan den wil der N. V., bij wie de souvereinitet der natie berust, (dêpositaire de la souveraineté nationale), door het ambt van president der republiek aan te nemen. Het is een zware verantwoordelijkheid, welke mijner vaderlandsliefde wordt opgelegd, maar met Gods hulp en de toewijding des legers, dat immer het leger der wet zal zijn en de steun van alle eerlijke lieden, zullen wij te zamen het werk voortzetten der bevrijding van ons grondgebied en het herstel van de zedelijke orde in het land. Wij zullen den binnenlandschen vrede handhaven en de beginselen, waarop de maatschappij gegrond is. Ik geef u daarop mijn woord van eerlijk man en soldaat.”
En daarmeê was bet eerste bedrijf afgespeeld van wat een treurspel schijnt te zullen worden, als reeds zoovele in Frankrijk werden vertoond.
Het Ministerie is als volgt samengesteld: de Broglie, Buitenl. zaken, Vice-President van den Ministerraad; Beulé, Binnenlandsche zaken; Magne, Finantiên; Ernoul, Justitie; Batbie, Openbaar Onderwijs; de la Bouillerie, Koophandel; Deseiligny, Openbare Werken; Dompierre d’Hornoy, Marine; Generaal de Cissey, Oorlog.
Ziehier eenige bijzonderheden omtrent de nieuwe Ministers. De hertog de Broglie is 52 jaren oud. Hij was, gelijk men zich zal herinneren, onder het bestuur van Thiers een tijdlang gezant bij de Engelsche Regeering. Toen reeds reisde hij telkenmale van Londen naar Versailles, om in de Nationale Vergadering oppositie te voeren tegen den President der Republiek, zoodat hij zich eindelijk genoopt zag zijn ontslag te nemen als gezant. Vroeger heeft de Broglie eenige artikelen in de Revue des Deux Mondes geschreven. Beulé is 47 jaren oud. Hij wordt volstrekt niet voor den man gehouden, geschikt om aan het hoofd van zulk een gewichtig departement te staan. Dit schijnt ook door hem zelf, of door zijn vrienden, ingezien te zijn. Van daar dat hij Pascal tot sekretaris-generaal heeft gekregen, die de eigenlijke, ofschoon niet-verantwoordelijke, Minister zal zijn. Beulé is echter een goed redenaar. Hij heeft zich in de politiek bekend gemaakt door een rede, die hij indertijd heeft gehouden over de Ecole de Rome en over de subsidie aan de groote opera te Parijs, welke hij beide verdedigde. Oe heer Magne een Bonapartist, was, eer hij zich met de staatkunde bemoeide, beambte bij den heer Fould, die bankier was, vóórdat hij Minister werd. Magne weet zeer goed te spreken. De heer Batbie 45 jaren oud, behoorde in 1848 tot de rooden en ging weldra tot de Bonapartisten over om vervolgens zich bij de Orleanisten aan te sluiten.
Hij is een voortreffelijk redenaar. Hij was hoogleeraar bij de rechtsgeleerde fakulteit, en als zoodanig in den beginne bij de studenten zeer bemind; doch door zijn overgang tot de Bonapartisten maakte hij zich bij hen gehaat. Meer dan door dit alles is de heer Batbie bekend geworden door zijn rapport, waarin hij zeide dat er een Gouvernement de combat moet zijn. De heer Ernoul, een klerikaal, was vroeger prok.-generaal en vóór zijn benoeming tot Minister, hoogleeraar in de rechten. Men had hem de portefeuille van Onderwijs toegedacht; doch de Broglie was er tegen, omdat Ernoul hem te fanatiek was. Anderen beweren, dat Maarschalk Mac Mahon hem niet tot Minister van Onderwijs wilde, omdat hij zich in de kwestie van het onderwijs te zeer heeft gekompromitteerd; dat is dus ook, omdat hij te fanatiek is.
De legitimisten in het Kabinet zijn: Ernoul, de la Bouillerie en Dompierre d’Hornov, — de Orleanisten: de Broglie, Beulé en Batbie.


Voor de portefeuille van Oorlog is nog geen definitie-Minister gevonden. Het bekende heethoofd, generaal Duf crot, had haar gewenscht; doch Mac Mahon wilde hem niet, omdat hij tijdens zijn krijgsgevangenschap was gevlucht, zoodat het Gouvernement van 4 September ook daardoor met Pruisen, dat zijn uitlevering eischen wilde, in moeilijkheden dreigde te komen. Van deze zaak kwam echter later niets.



Engeland.

Historische en parlementaire partijen.

Herhaaldelijk reeds, zegt de onzen lezers welbekende Standaard, hadden we gelegenheid op te merken, hoe sedert eenigen tijd het ministerie van Gladstone in invloed verzwakt, ja, hoe menigerlei verschijnsel zijn val gansch niet onverwacht zoû doen zijn. Algemeen was, bij de verwerping van de wet op Dublins Universiteit, de jammerkreet der Engelsche liberale bladen; welke jammerkreet sedert de schitterende overwinningen, te Bath en Gloucester, met behulp der kroeghouders door de konservatieven behaald, voorwaar niet tot zwijgen gebracht is.
Ook aan een verklaring van het «verschijnsel” ontbreekt het niet.
Groote misstappen heeft het kabinet niet begaan; zijn arbeidzaamheid was voorbeeldig en werd, over het geheel, slechts door zijn bekwaamheid geevenaard; zoodat er geen reden te bedenken schijnt, waarom het vertrouwen, bij zijn optreden zoo volkomen, thans zoû behoeven te verflauwen. Toch moet er een reden zijn; en men heeft er ook een genoemd. De kracht der liberale partij, dus heet het vrij eenstemmig, is hierdoor verslapt, dat er geen «groote onderwerpen” zijn, waardoor haar belangstelling geprikkeld en zij tot trouw en eendracht bezield wordt.
Een verklaring, even ontrustend en bedroevend als zij juist schijnt te zijn. Daarmeê toch wordt met andere woorden gezegd, dat de regeering niet door haar grondbeginselen wortelt in de harten des volks, maar tot dusver slechts door haar »politiek van den dag” aan ’t roer bleef; niet door die beginselen, maar door die politiek haar partij werd bijeengehouden. En indien nu, gelijk toch wel niemand ontkennen zal, de konservatieven geen kracht van beter gehalte bezitten, wat zal dan, tenzij voor zoolang de loop der dingen ’t een of ander Ministerie weêr »groote onderwerpen” in handen spele, de toekomst het roemrijk Albion anders brengen, behalve ... gedurige kabinetskrisis?
Niet veel anders, vreezen we.
Het revolutionair beginsel, in Gladstone vooral vertegenwoordigd, bleek in Engeland dezelfde woekerplant als overal elders en is, de historische partijen, waaraan dat land meê zijn grootheid te danken had, ontbindende, begonnen er de parlementaire voor in de plaats te stellen, welke alle grootheid ondermijnen, alle kracht verspillen in ’t hazardspel van voor- en tegenstemmers; in wekenlang vruchteloos debat — als pas nog ten onzent over de rcchterlijke inrichting gevoerd werd.
Een partij, zeide Burke, is »een lichaam van mannen, vereenigd, om door hun gemeenschappelijke pogingen het nationaal belang te bevorderen, krachtens een bijzonder beginsel, waarover ze ’t allen ééns zijn.” Om iets tot stand te brengen, moeten ze eendrachtig handelen; om eendrachtig te handelen, moeten ze met vertrouwen handelen, moeten zij aan elkander verbonden zijn door gemeenschappelijke gevoelens, gemeenschappelijke neigingen, gemeenschappelijke belangen. Idem sentire de republicâ, hetzelfde oog te hebben op den staat, was; en het is alweder Burke die ’t herinnert; voor de beste vaderlanders in de grootste gegemeenebesten een voorname grondslag van vriendschap en genegenheid; geen andere is in staat om vaster, dierbaarder, genoeglijker, eervoller, deugdzamer gewoonten te kweeken. Mannen, aldus verbonden, zijn bekwaam om gevaren met gemeen overleg te doorgronden, met vereende krachten te keer te gaan. »Waar ze niet met elkanders beginselen bekend zijn, geen ondervinding hebben van elkanders talenten; in elkanders gewoonten en aanleg, door gemeenschappelijken arbeid in de maatschappij, niet zijn ingewijd; waar geen persoonlijk vertrouwen, geen vriendschap, geen gemeen belang onder hen bestaat; daar is het blijkbaar onmogelijk, dat zij in ’t staatsleven met eenstemmigheid, met volharding hun taak kunnen vervullen, iets tot stand kunnen brengen.”
Met andere woorden, een partij, in den echten zin des woords, moet historisch zijn saámgegroeid. Op een beginsel; wèl haar, zoo dit de vreeze des Heeren is, ook in de staatkunde »het beginsel der wijsheid!” op een beginsel moet zij gewassen zijn, als een breedgetakte boom in de moederaarde; door opvoeding en onderricht, door studie en leven verbonden[.] Zoodanige partij alleen heeft regeerkracht, van »groote onderwerpen” onafhankelijk.


Door individueele belangen voor een tijd vereenigd; vlammende op ministerzetels en, als die bereikt zijn, uit elkaâr vallende, tenzij ze door de wisselende gebeurtenissen en omstandigheden, voor een wijl, gedragen worden in ’t getij der volksgunst; ziedaar den aard en het overmijdelijk lot der parlementaire partijen; in den grond, onder welke fraaie namen en leuzen zij ’t bewimpelen, enkel zelfzucht kennende voor drijfveer, bevrediging van eigen belang voor doel. Waar dit gemeenschappelijk, tijdelijk belang wegvalt, spat het bondgenootschap uiteen, de gesloten gelederen loopen door elkander, het eenstemmig koor lost zich in een babel van geluiden op[.] Hoe kan het anders? De echte liefde voor het vaderland is een bloem, welke, als de schoonste bloemen, verflenst en verdort, zoo ze wordt afgesneden van haar wortel. Om het vaderland lief te hebben; om voor ’t vaderland ook het dierbaarst belang te kunnen offeren, moet men van zijn natie een levend lid zijn, aan haar verbonden door de duizenderlei banden harer historie. Uit leden van een parlement niet, maar uit zonen der natie bestaat een waarachtige, gezonde voor ’t welzijn des lands onmisbare partij. Zúlke partijen groeien. Parlementaire partijen »groepeeren zich.” Toevallig in ontstaan, levensduur en ondergang, verkankeren zij de vertegenwoordiging des volks en het volk zelve. In Engeland nog door de kracht, de nawerking der historische toestanden getemperd, vertoont deze krankheid onzer eeuw zich in al haar erbarmelijkheid vooral in landen, als Griekenland, waar, om zoo te zeggen, het volk geen historie heeft.



Afrika’s Westkust.

Ter kust van Guinea, aldus schrijft de Haagsche korrespondent van de Samarangsche Ct., beleven de Engelschen thans ook geen onvermengd genoegen. De koning der Ashantijnen rukt op naar Elmina, dat, naar hij beweert, Nederland niet aan Engeland had mogen afstaan, daar hij er aanspraak op had. Als erkenning van zijn recht op Elmina, zegt hij, betaalden de Nederlanders hem een jaarlijksche schatting van 400 dollars. Ook gaven zij hem 40 dollars voor iederen man dien hij voor het Nederlandsch-Indisch leger bezorgde. De Ashantijnen, wier macht op 30 à 40,000 man wordt geschat, hebben de Fantijnen, die onder bescherming der Britsche vlag staan, nu reeds driemalen geslagen, en zij rukken steeds voorwaarts. Twee Engelsche oorlogsstoombooten met een veldbatterij en marine-artillerie zijn er heengezonden. Er liggen reeds 4 oorlogschepen met 850 man.
De Engelsche Regeering heeft van de onze opheldering verzocht, en de Nederlandsche heeft zich gehaast te verklaren, dat zij op de overgedragen forten een onbetwistbaar recht had. De uitkeering strekte alleen ter bevordering van den handel. De manschappen, die wij voor het Oost-Indisch leger wierven, waren krijgsgevangenen, die anders toch zouden gedood zijn.
Het is evenwel niet weg te nemen dat, als wij 40 dollars voor zulk een krijgsgevangene betaalden, dit even goed was als het uitloven van een premie op het oorlogvoeren tusschen de inlandsche stammen onderling. Ook schijnt er in Engeland over den waren aard van onze uitkeering aan den koning van Ashantee nog eenigen twijfel te bestaan.


Intusschen kan men onder onze verspreide berichten lezen, dat de Ashantijnen geslagen zijn en met groot verlies naar het binnenland teruggetrokken.



Varia.

Een ongelikte beer, met een groot aantal onbetaalde beeren in zijn gevolg, sprak eens over „onze hazennaturen”, terwijl hij een pleidooi leverde voor een zijner principalen, ditmaal een knorrig heer. — „Hoor eens hier”, aldus viel deze hem in de rede, „gij zijt een onhandig helper; na uw rekening met de mijne verward te hebben, gaat ge aan ’t klappen over onze overeenstemmende eigenschappen met de hazen, en ... — val mij niet in de rede, zeg ik u — vergeet dat ons een bezittelijk voornaamwoord is. Loop naar den drommel”



Een Engelschman en een Yankee kwamen op het denkbeeld, nadat zij elkander uitgedaagd hadden, de zaak zonder veel opschudding uit de wereld te maken; daarom sloten zij zich zonder getuigen in een donkere kamer op, met de bepaling, dat zoodra elk in stilte tot vijftig geteld had, men de vijandelijkheden in het duister zou beginnen.
Men tastte een geruimen tijd in het donker rond en trachtte uit te vorschen, waar de tegenpartij zich bevond. Eindelijk drukte de Amerikaan zijn pistool af, maar miste. De Engelschman, een philosoof, was intusschen, terwijl hij zich voorbereidde om op zijn beurt te vuren, langzamerhand tot de konklusie gekomen, dat het onchristelijk is, zijn naaste dood te schieten en daar hij zich thans nabij den schoorsteen bevond, zoo schoot hij zijn pistool daarin af.


Maar verschrikt sprong hij terug; want hij hoorde een akelig geluid in den schoorsteen en met een doffen slag plofte de gewonde Yankee hem voor de voeten.



Mengelwerk.



John Stuart Mill,

door

KARL BLIND.

Engeland heeft zijn grootsten denker, de gansche geestelijke en staatkandige wereld een harer voornaamste leiders verloren. Plotseling kwam de slag, door niemand verwacht of vermoed. Weinige weken geleden nog weerklonk de zachte schijnbaar onbeteekenende stem van Stuart Mill, een stem echter waarachter het vuur van kalme geestdrift schuilde, op een bijeenkomst van de „Vereeniging tot hervorming van den landeigendom,” waarvan de bekende filosoof onderscheidene jaren voorzitter was, en welke zich ten doel stelt de opheffing van feudale banden. Hij keerde weldra uiterlijk volkomen welvarend naar zijn woonplaats in Avignon, waar hij steeds een gedeelte van het jaar doorbracht, totdat plotseling de dood hem wegmaaide, in de onmiddelijke nabijheid van het graf waar sints veertien jaren zijn teergeliefde echtgenoote rust.
„Niet alleen in Engeland en zijn koloniën, niet alleen in Frankrijk en Duitschland en de Vereenigde Staten,” — zegt een blad dat zich op zijn gebied beweegt — „niet alleen in die landen, waarin de kunsten en watenschappen van West-Europa door eigen koestering of door overplanting thans bloeien, neen, zelfs in Rusland en Hindostan zal de droeve mare van zijn overlijden als een algemeene ramp beschouwd worden. Men zal gevoelen, dat een der grootste fakkels der gedachte uitgedoofd is, dat een machtige geest in zijn arbeid voor ’s menschen vooruitgang bezweken is.
Mill’s begrippen en beginselen waren diep doorgedrongeen in het leven van onzen tijd. Zij waren een onmisbaar bestanddeel van alle geestelijk voedsel geworden. In de wijsbegeerte, in de staathuishoudkunde, zelfs in letterkundige kritiek vond hij in den geest van vele zijner beroemdste tijdgenooten zijn begrippen terug, of, en dit schatte hij veel hooger nog, zag hij ze een uitgangspunt geworden voor onafhankelijke gedachte. De geschriften van Herbert Spencer, Bain en Grote dragen de sporen van zijn invloed, en eenige van zijn bekwaamste tegenstanders in politiek en in wijsbegeerte hadden zich bij hem die behendigheid in den strijd eigen gemaakt, welke zij tegenover hem aan den dag legden, en hoewel wederpartij geworden, hielden zij niet op scholieren te zijn. Zoo hij op enkele punten van een kwestie overwonnen werd of overwonnen scheen, dan geschiedde dat meestal door lieden, die hij zelf had leeren filosofeeren.”
In Engeland was wellicht niemand, die de geestelijke ontwikkeling van Frankrijk met zooveel opmerkzaamheid volgde, zooveel aandeel nam aan het Staatswelzijn van dat land als John Stuart Mill. Van des te meer beteekenis is het daarom, dat in den laatsten oorlog de zaak van Duitschland bij Mill warme sympathie vond.
Eerst onlangs werd zijn „Verdediging der Fransche omwenteling van 1848” — een antwoord op Lord Brougham en anderen — weder in herinnering gebracht. Mill stond evenzeer pal voor de zaak der Republiek in Frankrijk als hij tijdens den Amerikaanschen oorlog de zaak van het Noorden verdedigde.
Evenals Engelands groote geschiedschrijver Grote was ook Mill, die in nauwe vriendschapsbetrekking tot hem stond, van zijn vroegste jeugd tot de demokratische begrippen geneigd en een vijand van alle godsdienstige wanbegrippen. Grote, die ons de meesterlijke „Geschiedenis van Griekenland” schonk, was in alle opzichten en met kracht de republikeinsche begrippen toegedaan. Zijn verhouding tegenover de zoogenaamde godgeleerden heeft hij doen uitkomen in zijn testament, waarbij hij aan den leertsoel der filosofie aan de Londensche hoogeschool, waarvan hij vroeger voorzitter geweest was, een jaargeld verbond, dat echter slechts dan zon uitgekeerd worden, als de titularis in geen betrekking zou staan tot den geestelijken stand.
Indien — zoo luidde de bepaling van Grote verder — ooit door den opperbestuursraad van het kollege een geestelijke van een of ander gezindte voor dien leerstoel werd aangesteld, dan blijft het jaargeld zoolang onuitgekeerd, totdat een verandering gevolgd is, waarna de som met het bedrag aan interest op interest aan den eerstvolgenden niet geestelijken leeraar in de filosofie zal uitgekeerd worden.
Zoo dacht ook Mill. Reeds vroeger openbaarde zich bij hem deze richting, en zij vond haar uitdrukking in de Westminster Review, het orgaan der zoogenaamde filosofische radikalen; daarin, even als vroeger in de Morning Chronicle, liet hij zich eerst als medewerker, later als uitgever hooren.
Middelerwijl verzamelde hij niet weinig staatkundige ondervinding op een gebied, waaraan een „filosofische radikaal” schijnbaar wel ten eenemale vreemd zou zijn, — namelijk als ambtenaar der Oost-Indische Kompagnie, waarbij hij reeds op zijn zeventiende jaar, door bemiddeling van zijn vader, den bekenden schrijver van de „Geschiedenis van Indië”, een aanstelling bekwam. Vijf en dertig jaren lang is John Stuart Mill als ambtenaar werkzaam geweest. Het Britsch gebied in Indië, door kooplieden te samen met staatslieden opgebouwd en staande gehouden, werd destijds door genoemde Kompagnie beheerd, en ondanks de veelvuldige wreedheden, bewogen de bestuurders zich eenigszins in den geest der Hanse. Deze en andere gronden, die met zijn geheele levensrichting in verband stonden, zullen het wel geweest zijn, die den filosoof bewogen hebben dat ambt jaar op jaar te blijven waarnemen. (Slot volgt.)



SCHEEPSBERICHTEN.

Vertrokken.

22 Juli, Ned. Bark Geesina Maria, gez. Ruardi Bik naar Nederland.

Ter reede.

N. I. Bark Samuel, gez. R. E. H. Stenzel.
Ned. Bark Aria & Betsy, gez. R. Ran.
Eng. Bark Eliza Laing, gez. Thomas Martin.
Eng. Bark Eastern Queen, gez. William Cook.


N. I. stoomschip Batavia, gezagv. T. C. Zuiderhoudt.



KARGA-LIJSTEN.

Invoer te Padang.

Van de NOORD.

Per N. I. stoomschip Batavia, gezagv. T. C. Zuiderhoudt.

Agent H. W. M. Nagtglas Versteeg.

1{{smaller|48100 pik. kamfer Lim Sam Ping. 7 pik. gombenzoin Oug See. 14 pik. gombenzoin Lim Goan Post. 40 pik. gombenzoin Lim Tat Djien. 122½ pik. guttapercha lading voor Singapore. 7 pik. dadels 7 pik. zwarte peper Itrimensah.

Uitvoer van Padang.

Naar NEDERLAND.
Per Ned. Bark Geesina Maria, gezagv. Ruardi Bik.

Agenten J. F. van Leeuwen & Co.

1708 40100 pik koffie 32 34100 pik. guttapercha 1011 pees huiden 9247100 pik. foelie 962100 pik. notenmuskaat 13224100 pik. rotting 26860100 pik. kassia J. F. van Leeuwen & Co. 214460100 pik. koffie 543100 pik. gomelastiek 300 pik. kassia 114100 pik. foelie 600 pees huiden Agent N. H. M. 2700 pik. koffie Dümmler & Co. 3 kid. genever Boon In’tveld & Co. 15 koll. provisiën en dranken 12 kazen aan boord geblevene lading.


Snelpersdrukkerij CHATELIN & Co. – Padang.