Pagina:Timm010zeer01 01 (1).pdf/3

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd


Aan mijn vriend Huibrecht van Ael.

I



De Druivelaar



De lucht is natzilver als de rug van Visch.

Die dagen zijn er schoone wolken van allerhande gedaanten en verwen, en terwijl hier de zon een vinger licht door het venster steekt, staat er ginder boven de velden een helder stuksken regenboog.

't Is nu tijd om den tuin te bewerken. En 't begijntje Symforosa heeft den hovenier Martienus, die een neef is van mijnheer den onder-pastoor naar haar hofken laten komen, om de groentenbedden op te dekken, bloemen te planten en den schoonen druivelaar te laten snijden.

Hij is gekomen net zijn rood slaaplijf en zijn blauw schort aan, en terwijl hij bezig is lachen zijn oogen naar zijn werk.

Symforosa staat er met haar spitsig neusje op te zien; ze breidt aan eene witte kous en spreekt uitbundig over den druivelaar.

3