Pagina:Tweede reize door de Majorij van 's Hertogenbosch.pdf/100

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen
( 80 )

len, dit komt 'er, dunkt mij, gek in; waaröm dus niet bedankt? doch men vind veele menſchen; welke groot in de waereld willen ſchijnen. – Een Fransch Vrederechter zonder Fransch te kennen – ! – ô! grootſche titel!!

Ik ſprak hier iemand (ik weet niet, of hij een Inwoomer deezer plaats was, doch hij ſcheen een Proteſtant), welke mij veele gekheden verhaalde, die hier van de Roomſche Geestlijken gepleegd worden. Volgends zijn verhaal zouden zij zelfs weinig of liever niets gelooven; zij zouden ſpotten met de ligtgeloovigheid van het dwaaze Volk, doch tevens hielden zij het Volk dom, enkel om hunne beurs te ſpekken. Hij vertelde mij ook de volgende Anekdote, welke ik U overgeef, even zoo als ik dezelve ontvangen heb: Een Priester wierd 's avonds of in den nacht bij eenen zieken geroepen; hij ging 'er naar toe, om denzeven het laatſte Olieſel en den gewijden Ouwel, als een Viatictim te geeven. De geen, die der Priester geroepen had, had welëer eenig verſchil met denzelven gehad, hieraan herïnnerde hij den Priester met bijvoeging deezer woorden: Indien Gij ons Heer (den gewijden Ouwel) niet bij U had, dan zou ik U eens helder afrosſchen. – De Priester, ook niet lings, zettede zijnen Ouwel op den grond, en antwoorde: Als Gij nu maar durft. – Daar ſtaat ons Heer! en de Duivel zal Hem haalen, zo Hij éénen van ons beiden helpt. – ! – Wat zegt Gij hier van, mijn Vriend!? Ik wil hieröver geene aanmerking maaken, maar laat dit geval ter uwer eigene over-

wee-