Pagina:Tweede reize door de Majorij van 's Hertogenbosch.pdf/101

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen
( 81 )

weegingover, het kan U eene ruime ſtof ter overdenking opleveren.

Ik ging van Gemert over Erp naar Vegchel, waar ik deezen zit te schrijven. – De Inwooners van Erp draagen den bijnaam van de Beiren, doch waaröm weet ik niet, dit echter weet ik, dat ik in 's Bosch, op de zoogenoemde Rariteit-kamer eenige geraamtens van boosdoeners gezien heb, zittende met kaarten in de handen, achter dezelve ſtond een ſkelet, met eene kan en glas in de hand, even als of het voor de anderen eens wilde inſchenken, deeze noemde men: de Beiren van Erp, waarſchijnlijk wegens hunne ontmenschtſte wreedheid, die zij, bij het pleegen van hunne diefſtallen en moorden, uitöeffenden. Denklijk is in het vervolg deeze naam, omdat gemelde booswichten te Erp woonden, of zich daar het meest ophielden, op alle Erpenaars, doch geheel verkeerd en ten onrechte, toegepast.

Ik heb U voor het tegenwoordige niets meer te ſchrijven, dus volgt van zelfs, dat ik deezen moet eindigen, want om U enkel letters zonder zaaken, zij moogen dan gewigtig zijn of niet, te ſchrijven, dit zou U in het geheel niet aanſtaan, en het zou mij ontzaglijk verveelen.

Ik ben enz.

VEER-
F