Pagina:Tweede reize door de Majorij van 's Hertogenbosch.pdf/108

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

( 88 )



Vijftiende Brief.

 Lieve Vriend!

Toen ik Heeswijk verliet, rigtede ik mijne treden naar Osch. – Ik wandelde herwaards over Heesch, waar de tour-karren van 's Bosch naar Grave verwisſelen; vervolgends over Nistelrode en Berchem. Deeze drie Dorpen hebben niets bijzonders. – Osch, waar ik mij thands bevind, is daar en tegen een ſchoon Dorp, het is de Hoofdplaats van Maasland. Eene voortreflijke en nette Kerk, voorzien van een Orgel en een' hoogen ſpitzen tooren, ſiert deeze Plaats niet weinig, ook pronkt dit Dorp met een Raadhuis, waarönder de Boter-Waag is. Weeklijks houd men hier eene Markt, die taamlijk Volkrijk is. – Osch zou in voorige tijden eene verſterkte Stad geweest zijn; men ziet hier nog de overblijfſels van twee Poorten; de ééne, welke 'er nog voor het grootst gedeelte ſtaat, is thands in een Pakhuis veränderd, en de andere is met een Kasteeltjen, dat daar digt bij ſtond, veréénigd, en tot eene zeer fraaië Heeren-Huizing gemaakt, in welk Huis men echter den Boog deezer Poort nog zeer duidlijk zien kan; verder wierd mij verhaald, dat men in oude ſchriften nog leest van de Stad Osch, ook word deezen Titel zelfs tegenwoordig nog veel gebruikt.

Osch