Pagina:Tweede reize door de Majorij van 's Hertogenbosch.pdf/11

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
VII
VOORREDE.

Godsdienst niet, wijl dezelve liefde jegens allen zonder onderscheid predikt en uitöeffent. – Ik zal het nimmer kwalijk neemen, wen iemand de slechtigheden van Protestanten, indien zij zóó slecht konden handelen, aan het licht brengt; dit raakt immers den deugdzaamen Belijder van dien Godsdienst in het geheel niet. Zouden die geenen, die den Reiziger hieröver schelden en bedreigen, ook die daaden goed keuren? Maar genoeg. – Zijne Reize is geen twistschrift over den Godsdienst; hij schreef zoo, als hij alles gevonden heeft, en zoo als hij 'er over dacht. Ik beloof heilig aan hun, die hem zijne Aanmerkingen ten kwaade duiden, dat hij, indien hij eens, weder eene Reize door de Majorij (het geen misschien, en misschien ook niet gebeuren kan) onderneemt, en hij dan alles daar beter vind, dan ook met onëindig meer genoegen voor zich zelven zulks zal optekenen, dan hij thands de slechtigheden heeft aangeroerd. Niets zal hem, als Menschenvriend, aangenaamer zijn, dan dat hij ondervinden mooge, dat men in de Majorij beter denkt, beter handelt dan men gedaan heeft. Ik zal, zoodra ik iets goeds ten deezen opzigte verneem, de Eerste zijn, die zulks mijnen Lezeren zal mededeelen.

Men heeft mij ook gemeld, dat men des Schrijvers voorige Reize door de Majorij aldaar niet belangrijk houd, omdat men daar alles weet, wat in die Reize is opgetekend. Het moet immers van zelfs volgen, dat men in dat Land, waarin men eene Reize ondernomen heeft, zeker alles zoo goed en beter moet weeten, dan een Reiziger, die 'er zich slechts eenigen tijd ophoud. Zou het niet ten schande der Majorijënaars strekken, wen zij 'er iets in ontdekten, dat hun onbekend ware; het zou ten minsten een bewijs zijn, dat zij zich weinig aan de gebeurenissen, in hun Vaderland voorgevallen, lieten gelegen liggen. – Ik geef, en dit zal deeze tegenwerping geheel ontzenuwen, deeze Reize niet alleen voor de Majorijënaars, maar voor alle mijne Landsgenooten, in het licht.

Sommigen beschuldigen den Schrijver, dat hij Bor, Oudenhoven, en van Heurn niet schijnt

te
*4