Pagina:Tweede reize door de Majorij van 's Hertogenbosch.pdf/110

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

( 90 )

bijgeloof op den throon zit, als in andere ſtreeken van dit Land, blijkt ook uit het volgende: [Op een Heuveltjen in de Heide tusſchen Osch en Nistelrode, langs den weg ſtaat een Eikenboom, aan welks voet men een gat ziet, dat ſlechts weinige voeten breed en diep is, en waarïn nu en dan eenig water ſtaat; bij dit gat ligt een Steenhoop, kegelvormig opgehoopt, dit zouden de overblijfſels zijn van eene Kapel, die hier ter eere van St. Willebrordus, den Beſchermheilig van Osch, zou geſticht zijn, omdat hij hier met zijnen Bisſchoplijken ſtaf eene put of bron geſlagen heeft, welks water wonderen verricht, en waarvan dit gat nog een overblijfſel is. Veele Roomſchen, vooräl zulken, die de koorts hebben, doen naar deezen Heuvel, welke ook St. Willebrord genoemd word, Bedevaarten, kruipen op hunne knieën, met eenen Roozenkrans in de hand, onder het uitboezemen van Pater-nosters en Ave-Maria's, rondöm dien ſteenhoop, ſmijten gewoonlijk eenige Steenen, om denzelven in wezen te houden, op denzelven, drinken van het water uit die wonderbron of wasſchen zich met dezelve, en dan gaat de koorts weg als of zij weg gevaagd word.] Schoon deeze put nog nooit iemand van de koorts geneezen heeft, zoo doet echter dezelve wonderen, ten minſten het word zoo verhaald, en een Roomſche mag 'er niet aan twijfelen, of hij was een ongeloovige, een – Ketter.

Ik vernam ook eene bijzondere plegtigheid, bij het begraaven der dooden hier in gebruik. [Als

het