Pagina:Tweede reize door de Majorij van 's Hertogenbosch.pdf/114

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

( 94 )

Op zijn gemak gaat Wandelen en een luchtjen ſcheppen. Komt hij weder, en heeft men zijne honden los gelaaten, gelijk zulks altijd het geval is (wie kan ook zoo veele honden vast houden), dan breekt hij zulk eenen den hals. – Deeze Dirk de Beir is intusſchen niets anders dan vogeltjens, zijnde een ſoort van Plevieren of Turehuurs, die 's avonds met geheele ſchoolen door de lucht vliegen, en door hunne vlugt een ſterk gedruisch veröorzaaken. Het geluid derzelven gelijkt van verre zeer wel naar het geblaf van kleine hondjens. – Ik heb dit meer dan eens bij heldere avonden gezien en gehoord; ook was ik meer dan eens getuige van den ſchrik der bij geloovige Roomſchen bij het hooren van dit geluid; wat ik hun zeide, alles was vruchtenloos, doch men verwonderde zich tevens ten ſterkſten, dat ik hier mede durfde ſpotten, men wilde niet gaarn in mijne plaats weezen, als mij deeze Jager eens alleen ontmoetede, dan zou ik het wel ondervinden. – Ik moest in mijn hart over de ijdele zorg lagchen, doch tevens die domme bijgeloovige dwaasheid beklaagen.

Hiermede zeg ik de Nacht-merrij en Dirk den Beir vaarwel, mij noemende geheel den

Uwen. 
ZES-