Pagina:Tweede reize door de Majorij van 's Hertogenbosch.pdf/139

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

( 119 )

nogthands geene Beſchrijving van elk der zelven in het bijzonder afſchetzen, omdat Gij dezelve bij Linnéus, Buffon, Nozeman, Pasteur en ook ten deele bij Martinet en anderen beſchreeven vind.

Onder de viervoetige wilde Dieren (met de Huisdieren zal ik mij niet bezig houden,) treft men hier aan:

Den Wolf, doch deeze is hier thands zeldzaamer dan voorheen; ſchoon hij een verſcheurend Dier is, zal hij zelden of nimmer eenen Mensch, ten minſten weet men hiervan geen voorbeeld in de Majorij, aanranden, of hij zou door zeer grooten honger hiertoe genoodzaakt moeten worden, anders zal hij altijd eenen Mensch ontvlugten.

Vosſen. Als iets bijzonders kan ik hier bijvoegen, dat men in het jaar 1798 te Vierlingsbeek, een Dorp in het land van Kuik, bij de grenzen der Majorij gelegen, eenen zwarten Vos heeft geſchooten. – Men vind hier ook den Das; doch het is eene Volks-dwaaling, die in dit land heerscht, dat hier tweeërlij ſoort van die Dieren zouden zijn: de Varkens-das, welke een Snuit als een Varken hebben, en goed tot ſpijze weezen zou; de Honds-das, welke veel overéénkomst met den Hond heeft, doch niet eetbaar zou zijn.

Verder is hier de Otter, welke beſchouwd word als half Vleesch en half Visch, en even daaröm ook van de Roomſchen, op hunne zoogenoemde Vastendagen, gegeeten word; doch dit ontſpruit uit onkunde, omdat hij enkel van

Vis-

H4