Pagina:Tweede reize door de Majorij van 's Hertogenbosch.pdf/144

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

( 124 )

en den Meeräal, deeze worden niet gegeeten, naar men gebruikt den laatſten wel als eenen Barometer, wijl men hem in eene flesch met water zeer lang in het leven kan houden, en hij, door zijne beweegingen in dezelve de verändering van het weder aanduid. Hij is ook één dier zeldzaame Visſchen, welke geluid geeven, want als hij uit het water is, of men hem hard aanvat, dan piept hij; het is tevens aanmerklijk, dat, waar hij zich ophoud, 'er niet veele andere Visſchen gevonden worden, alhoewel hij niet van Visſchen maar enkel van Insecten leeft.

Behalven deeze opgenoemde Visſchen heb ik hier, op enkele plaatzen, een zeer lief en aartig Viſchjen aangetroffen, doch de naam is mij onbekend en niemand wist mij denzelven te noemen. Dit Vischjen is naauwlijks twee duimen lang, en ook naauwlijks een vierde van eenen duim breed, de zijden zijn plat en het is omtrent twee lijnen dik; op den rug is het bruin van verw en blinkend, naar den buik, welke wit is, word deeze koleur ligter, en het bruin en wit ſcheid zich met halfronde vlakjens, bijna zaagswijze, van elkanderen; het heeft glinſterende en mooië oogjens, welke niet op zijde, gelijk in andere Visſchen, van het kopjen maar boven in hetzelve niet ver van malkanderen ſtaan. Het heeft een eenigzints geboogen kopjen even als een' Ramskop, en zwemt met den mond eenigermaate naar beneden; de rugvin ſtaat midden op den rug, en dus niet het digtst bij den ſtaart, gelijk men dit gewoonlijk in andere Visſchen ziet; de ſtaart,

die