Pagina:Tweede reize door de Majorij van 's Hertogenbosch.pdf/145

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

( 125 )

die rond is als de rand van eene halve maan aan de buitenzijde, is even als de vinnen zeer fraai geſpikkeld. Met het bloote oog kon ik geene schobben aan dit zeldzaam Vischjen ontdekken. – In de Aa en Dommel vind men, op rotsächtige plaatzen, de lekkere Rivierkreeftjens, welke in alles, uitgezonderd dat zij kleiner zijn, met de Zeekreeften overéénkomen.

Men vind verder in de Majorij onder het gedierte drieërlij Kikvorſchen: den Land- Water- en Boomvorsch, welke laatſte zich altijd in Boomen ophoud; Padden: Land- en Waterhagedisſen en Waterſalamanders. Men ontmoet 'er ook wel eens, doch vooral in de Peel, Slangen en Adders, maar derzelver getal is niet groot, ook zijn zij niet vergiftig, ten minsten is er geen voorbeeld van bekend, dat zij ooit iemand beſchadigd hebben.

Gij ziet hier dan, mijn geächte Vriend! dat de Majorij veele ſoorten van Dieren oplevert, waarvan de Beſchrijving wel een groot Boekdeel zou vullen, en derhalven ziet Gij ook hier bewaarheid, het geen ik U meer dan ééns gezegd heb, dat een kundig Natuurkenner hier zeer veel, ter vermeerdering der Natuurlijke Historie van ons Vaderland, zou kunnen aantreffen. – Laat dit nu genoeg weezen, om eenigzints uwe nieuwsgierigheid te voldoen, want Gij ziet immers, dat ik mijnen tijd in de Majorij niet nutloos of ledig doorgebeuzeld, maar alles aangewend heb, Om U dat Land, zoo veel in mijn vermogen was, en mij de tijd vergund heeft, te doen kennen.

De