Pagina:Tweede reize door de Majorij van 's Hertogenbosch.pdf/146

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

( 126 )

De volgende brief zal U iets zeggen van de voordbrengſelen deezer Landſtreek. – Vaarwel! en denk nu en dan eens aan hem, die zich kan en mag beroemen, dat hij onveränderlijk zal zijn uw beſtendige

Vriend. 

Naſchrift. Men ziet in de Majorij ook veele Land- en Waterinſecten. Ik wil ze U niet allen opſommen, maar onder de eerſten thands alleen den Glimworm tellen, omdat Martinet[1] denkt, dat die nergens in ons Vaderland, als in Gelderland gevonden word, Hij immers zegt: "Laat ik den Glimworm nοemen, die hier in Gelderland voorkomt, doch elders vruchtenloos zal gezocht worden." – Deeze Geleerde heeft onrecht, want ik heb deezen Worm in menigte in de Majorij gevonden. – Onder de laatſten noem ik als een bijzonder en zeldzaam Diertjen, dat Gij kennen moet, den Hair- of Snaarworm. Hij is naauwlijks zoo dik als een Paarden-hair, en echter meer dan anderhalven voet lang; hij is bruin van verw, doch in de Zon geeft hij eenen ſchoonen weêrſchijn, beſtaande uit allerhande koleuren. Met het ongewapend oog kan men geen onderſcheid tusſchen den Kop en Staart ontdekken, want als hij ſtil in het water ligt, zou men hem voor een hair-

tjen
  1. Katechismus der Natuur. III Deel. Bladz: 113. van den Tweeden Druk.