Pagina:Tweede reize door de Majorij van 's Hertogenbosch.pdf/150

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

( 130 )

gebruikt tot hak- of akkermaals-hout, het geen men hier gewoonlijk, om de vijf jaaren, tot Takkenbosſchen, Boonenſtaaken enz. hakt.

Voords vind men 'er veelerlij ſoorten van Heestergewasſen in het Wild. De aanmerklijkſten, die eenen Reiziger het meest, wegens het bloeiſel, in het oog vallen, zijn: de Vlier (Sambucus vulgaris), welks nut in de Geneeskunde Overbekend is; de Berberis (Spina adpendix); de Gagel (Myrtus Brabantina ſive Myrica), welke zeer lekker ruikt, en van welkers Bezieën men Wasch kan maaken; de wilde Hazelnoot (Corylus ſylvestris), waarvan de vruchten zeer goed, maar ook zeer hard van bast zijn; het Geitenblad (Periclymenon); de Jeneverboom (Juniperus); de wilde Roos (Roſa canina); de Haagdoorn (Spina alba); de Slee (Prunus Sylvestris); de Alfrank (Dulcamara); de Lijsterbezieënboom (Sorbus); de wilde Vlier (Sambucus Sylvestris); de Brem (Geniſta); de Klimöp (Hedera) en zeer veele anderen. – Een vermoeid Reiziger kan hier ook dikwijls zijnen dorst lesſchen en zijne vermoeide krachten verkwikken met Braambezieën (Rubus Vulgaris), met Fraam- of Hinnebezieën (Rubus Idæus), welke men hier op ſommige plaatzen aantreft, als ook met roode en zwarte Aalbezieën, met de lekkere Blaauwbesſen (Vaccinium), die in zandige Streeken en Bosſchen groeiën, en de ſchaduw beminnen. Ook zag ik hier en daar in het Wild witte en roode Aardbezieën, die uitmuntend van ſmaak waren.

Bij