Pagina:Tweede reize door de Majorij van 's Hertogenbosch.pdf/156

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

( 136 )

zijn, is het eene misdaad in het oog der Majorijënaars – dan genoeg! – laat mij zwijgen! – !!

Nu wil ik hier weder eenige bijgeloovige zaaken, die in de Majorij onder de Roomſchen ſtand grijpen, laaten volgen:

Als iemand geſtorven is, word hij in een ſchoon hemd gekleed; is het een ongetrouwde, dan zet men, ten teken van den maagdlijken ſtaat, eenen krans van bloemen en groene kruiden op zijn hoofd. De reden hiervan is, omdat men dien dwaazen waan voed, dat de mensch, bij de algemeene verrijzing, in hetzelfde gewaad, waarin hij begraaven is, zal opſtaan. Het zou ſchande weezen, als men onder zóó veele milliöenen lelijk of ongekleed voor den dag kwam. – – Zal 'er dan ook nog hovaardij en ſieraad op den jongſten der dagen ten paſse komen? zal men zich dan ook nog aan de mode, dien algemeenen tijran, ſtooren? wat denkt Gij, mijn Vriend! – Zeer zeker zal dit, volgends de wanbegrippen der domme Roomſchen, plaats grijpen.

De zoogenoemde St. Lucia is eene Patronesſe tegen den Rooden Loop. Voor eenige jaaren woede deeze Ziekte geweldig op sommige Majorijſche Dorpen. Op eene zekere plaats wierd Lucia bijzonder als de Beſchermheilige geëerd, en evenwel heerſchte "er de Loop. Eene Vrouw van een ander Dorp, waar die Ziekte toen nog niet heerſchte, ging uit voorzorg en voorzigtigheid, om toch wel bewaard te weezen, naar de H. Lucia, haalde eenen rooden zijden St. Lucia-draad (dit is het eigenlijk bewaarmiddel), en bragt

te-