Pagina:Tweede reize door de Majorij van 's Hertogenbosch.pdf/157

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

( 137 )

tevens die Ziekte (ô! welk eene ongelooflijke kracht zat 'er dus in dien draad!) mede, welke zich zeer ſchielijk door dat Dorp verſpreide, en 'er een zeer groot getal van menſchen naar het Graf ſleepte. Moest deeze waare gebeurenis niet een ſterk tegengift tegen het domme Bijgeloof weezen, want denklijk, zo deeze Vrouw ſtilletjens ware t'huis gebleeven, was dat Dorp niet door die Ziekte aangetast – maar – het Bijgeloof laat zich door niets afſchrikten, nergens door te rug houden.

Volgends de gedachten der Roomſche Majorijënaars is 'er geen beter middel, om niet van dolle honden gebeeten te worden, dan gewijd brood bij zich te draagen; doch denkt men, dat iemand door eenen dollen hond gebeeten is, dan laat men hem met eenen ſleutel, aan St. Hubertus toegewijd, voor het hoofd branden, want het kan op de plaats, waar men gebeeten is, niet baaten, ook trekt de kracht het geheele ligchaam door; het branden met een ander ijzer zou ook niets helpen. Ik heb meer dan eenen hond gezien, dien men met zulken zoogenoemden St. Huberts-ſleutel voor den kop gebrand had, dan waren zij altijd bevrijd, om door eenen dollen hond gebeeten te worden, of – zo zij al gebeeten worden, worden zij niet raazend. Veelen, die zich verbeelden door eenen dollen hond (hoe veele honden worden niet voor dolle honden gehouden, die echter nooit dol geweest zijn) gebeeten te zijn, doen Bedevaarten naar St. Huberts-Lil (een Dorp in Luikerland bijzonder aan evengenoemden Heiligen gewijd),

om

I5