Pagina:Tweede reize door de Majorij van 's Hertogenbosch.pdf/159

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

( 139 )

"Belagcht de droomen, die bij nacht het brein doen hollen,
De wond'ren, het geſpook, en 't werk van toverkollen,
Het zweevend Geestenheir, en 't Spooken, dat geſchied
Door de onbekende kracht van het Thesſalisch lied."

Ik wil hier het een en ander bijvoegen aangaande de Priesters in de Majorij – 'Er worden onder dezelve braaven gevonden, ſchoon dat getal niet zeer groot is. – Gierigheid en inhaalligheid is het hoofdgebrek onder dezelven; twee ſtaaltjens wil ik U hiervan opgeeven: De Vrouw van eenen zeer armen Man kwam in de Kraam; het Kind moest gedoopt worden, doch Heeröom wilde het Kind niet Doopen, of hij moest voor zijne moeite (een Priester doet nimmer iets voor niets) eenen ſchelling hebben, en die arme Man had geenen duit in de waereld. Wat raad dan? De Man mogt zijn Kind niet ongedoopt laaten, dit was eene Doodzonde, want kwam het zonder Doop te ſterven, ach! dan wierd het een Dwaallicht, en was ongelukkig, en echter wilde de onbarmhartige gierige Paap het zonder geld niet Doopen. De arme Man, geen raad meer weetende, ging naar den Leeräar der Hervormden, verhaalde denzelven alles en verzocht hem om het zoo noodige geld; deeze, veel edelmoediger dan de gierige Priester, gaf den armen Man niet alleen eenen ſchelling, maar zelfs nog daar te boven voor deszelfs Vrouw; de arme Man ging vrolijk heen, gaf aan de inhaaligen Priester het geld, en het Kind wierd gedoopt. – Een tweede waar geval is dit: De Priesters gaan ééns

of