Pagina:Tweede reize door de Majorij van 's Hertogenbosch.pdf/165

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen
( 145 )

niet mooglijk, om alles ordelijk op elkanderen te laaten volgen.

Hoe meer ik, mijn Vriend! den Godsdienst der Roomſchen in de Majorij beschouw, hoe naauwkeuriger ik denzelven maargaa, hoe meer ik in het gevoelen verſterkt word, dat dezelve niets van het Christendom dan den naam bezit. Zij gelooven, dat 'er een God is, doch zij zijn niet in ſtaat, om één eenig voldoend bewijs, dit weet ik bij ondervinding, voor het beſtaan van een Opperwezen aan te voeren. Alle hunne Godgeleerde kunde beſtaat hierïn, dat zij het Pater-noster, Ave-Maria, het Geloof en de tien Geboden, zoo als die in hunne Kerk geleerd worden, van buiten kennen. Nimmer leezen zij den Bijbel; echter zijn 'er eenige, die, als zij eene vertaaling der Vulgata kunnen krijgen, denzelven nu en dan eens in handen vatten. Ik bezit thands eenen Bijbel van Liesveld, en wel den besten druk van het jaar 1542[1]; deeze wierd mij van eenen Roomſchen, bij wien ik hem gevallig zag, ten geſchenke gegeeven, om dat ik hem toonde, dat in denzelven het ſlot van het allervolmaaktſte Gebed gevonden wierd; hij wilde zulk eenen Ketterſchen Bijbel nu niet langer houden, maar zou denzelven hebben verbrand, als ik denzelven niet mede genomen had. Ik zal hem tot eene gedachtenis bewaaren. – Al hun Godsdienst beſtaat in het uitwendige; doch wen ik

juist
  1. J. le Long, Boekzaal der Nederduitſche Bijbels. Bladz. 566,567.

K