Pagina:Tweede reize door de Majorij van 's Hertogenbosch.pdf/166

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

( 146 )

juist zal ſpreeken, dan moet ik zeggen: "Een Roomſche in de Majorij bezit in het geheel geenen Godsdienst, want het is bij mij eene voldongen zaak, dat 'er in het hart geen Godsdienst kan plaats hebben, als het verſtand geene Godgeleerde kundigheden bezit. De Godsdienst van het hart moet ook de Godsdienst van het verſtand weezen." – – Uit het volgende blijkt, hoe onkundig zij in den Godsdienst zijn: Toen de Hanoverſche Troupes zich in 1794 eenige weeken in de Majorij ophielden, en alle morgen in het openbaar hun gemeenſchaplijk gebed, ja alle Zondagen hunne Godsverëering, volgends een allerloflijkst gebruik, plegtig en met diepen eerbied voor het Wezen aller Wezens bezield, onder den blooten Hemel verrigteden, waren 'er veele Roomſchen, die, der Hoogduitſche taal onkundig, en de Liederen voor Roomſche Kerk-gezangen houdende, dan ook knielden, en niet naar de Misſe gingen (het verzuimen van het hooren der Misſe op eenen Zondag is eene zwaare zonde), wijl zij meenden, dat de Hanoverſchen Misſe hielden. – Met één woord: – Nergens vind men dommer Menſchen in den Godsdienst, dan in de Majorij, ook ken ik geenen ſlechteren Godsdienst dan den Roomſchen, vooräl in die Landſtreek – ja! als men de domheid, dweepzucht, bijgeloof en vervolging, zoo als ik U die, naar waarheid, in mijne voorige en deeze Reize geſchetst heb, overweegt, dan mag men wel met eenen onge-

noem-