Pagina:Tweede reize door de Majorij van 's Hertogenbosch.pdf/179

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen
( 159 )

ſchijnt ook te willen aanduiden, dat Godefridus III, Hertog van Braband, in 1184 deeze Stad gesticht heeft.

In deeze Stad is alles nog op den ouden voet als in het voorgaande jaar; ik zag of hoorde 'er niets bijzonders, als dat de Roomſchen nog geweldig woelen omtrent de groote of St. Jans-kerk. – In dit jaar heeft de Regeering deezer Stad de Vuchter-Binnenpoort, of zoogenoemde Rariteit- en Kunstkamer, laaten afbreeken; dit geeft een ruim gezigt, maar ik zou, zo het aan mij geſtaan had, dezelve gelaaten hebben. Men heeft de zeldzaamheden op dezelve gedeeltelijk weg geſmeeten, doch de beste heeft men 'er laaten uitzoeken en bewaaren. Men zag ſommige aartige zaaken op dezelve, echter ook veele nietswaardige dingen, die 'er nooit geweest zijn, als bij voorbeeld: De Beurs en het Wensch-hoedjen van Fortunatus; den Blaasbalg van Doctor Faustus, en dergelijke Prullen meer. Veel beter moesten de Maliënkollers van Breauté en Lekkerbeetjen benevens hunne Pistoolen, als ook de Spooren van Marten van Rossem enz. bevallen. – Het is maar jammer, dat men in het Verzamelen dier zeldzaamheden niet naauwkeuriger geweest is, en ook dat alles niet beter bewaard en onderhouden is geworden.

De Majorijënaars hebben het Voorrecht, het geen alle Brabanders bezitten, dat naamlijk aan hun door de oude Hertogen vergund is, om met Honden en Valken, zelfs tot voor de Poorten van Antwerpen te moogen jaagen, dit noemt men hier

ge-