Pagina:Tweede reize door de Majorij van 's Hertogenbosch.pdf/192

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

( 172 )

Zomermaand, Bloemen boven de deuren en vengſters der Huizen te hangen. Dit geſchied, zegt men, om dat St. Jan een liefhebber van Bloemen was. Andere geeven deeze reden voor dit gebruik op: Joännes kwam eens in eene Stad, waar de Inwooners hem wilden dooden; hij ging, wijl het avond was, in een Huis; de Stedelingen versierden dat Huis met Bloemen – om toch niet te vergeeten, waar hij in gekeerd was, en hem dan 's anderendags te dooden. Maar toen zij den volgenden dag ontwaakten, en hun boos voorneemen wilden uitvoeren, waren alle Huizen door een Wonderwerk, op even dezelfde wijze met Bloemen verſierd, zoo dat men niet meer wist, in welk Huis Joännes zich bevond, en hij ontkwam dus het hem dreigend gevaar. – Om dit Wonder, het geen men voelen en tasten kan, te verëeuwigen, blijft deeze gewoonte nog in zwang.

Op eenige Dorpen ſchiet men den Vogel of Papegaai niet op den zoogenoemden Schutsboom, maar op eene roede of wiek van den Molen. Dit doet men te Osch en Bakel, misſchien ook elders. – 'Er is op de Majorijſche Dorpen een groot verſchil tusſchen Schutterijen en Gilden. Bij de Schutterijën is een Man, die met eenen Standäard in de hand te Paard rijd; deeze zouden nog eenige geſchreevene Voorrechten, door Keizer Karel V. en andere Brabandſche Hertogen aan haar vergund, bezitten. Gilden zijn ook Schutterijën, doch zonder Standäard, en alleen eigendunklijk door de Inwooners opgerigt;

zijn