Pagina:Tweede reize door de Majorij van 's Hertogenbosch.pdf/197

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

( 177 )

heid van dat gezegde: 'Er is 'er Eén, die alles regeert! – De Klok ſloeg elfmaal, eer ik merkte, dat het reeds zoo laat was en ik mij zoo lang op den Wal had opgehouden: zoo geheel was ik in de beſchouwing van den ſchoonen helderen Hemel, die als met Starren bezaaid was, weggezonken. Ik ſpoede mij maar mijne Herberg, at een weinig, en zettede mij terſtond neder, om deezen brief voor U afteſchrijven.

Morgen – of liever heden, want het is reeds twee uuren in den morgenſtond, – blijf ik nog hier. Den volgenden dag gaa ik ten schepe van hier naar de plaats mijner wooning, en zoodra ik mijne zaaken, die zeker wegens mijne afweezigheid, iets zullen achteruit gegaan weezen, weêr in orde gebragt heb, dan kom ik bij U, om, na zulk een lang afweezen, eenige regt genoeglijke dagen met elkanderen door te brengen.

Hier hebt Gij nu het einde van mijne tweede Reize door de Majorij, en ook het einde van alles, wat ik in dit Land weder gezien, gehoord en ondervonden heb. – Verheug U met mij, dat ik deeze Reize, zonder eenig gevaar, zonder eenige tegenſpoeden, ten einde gebragt heb. – Laat deeze en mijne voorige Brieven voor U het ſterkſte bewijs mijner Vriendſchap zijn. – Laaten zij getuigen, hoeveel Gij op mijn hart vermoogt, want voorzeker, zo Gij mij niet tot deeze tweede Reize had aangeſpoord, zou ik lang in twijfel gehangen hebben, om, hoe ſterk ook mijn lust tot Reizen is, dezelve

ten

M