Pagina:Tweede reize door de Majorij van 's Hertogenbosch.pdf/207

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

(187)

zien, wat anderen mij gunſtig ter hand geſteld hebben; Zoo heb ik ook gehandeld met het Verhaal aangaande het geweezen Klooster te Rosmalen, het geen ik bijna woordenlijk uit dezelve heb overgenomen. – Ik heb ook van dezelfde hand nog het volgende, het geen ik van woord tot woord, met tusſchenïnvoeging van eenige weinige Aanmerkingen, (de Schrijver en Zender houde mij dezelve ten goede) hier bij plaatze.]


Iets over het Charakter der Majorijſche
Bewooners in het algemeen.


De Majorijënaar over het algemeen redeneert noch onderzoekt niet, hiervoor laat hij zijnen Priester zorgen, waaröm dan ook de meesten onder hen, vooräl op die Plaatzen, welke niet aan de pasſage liggen, of door hunne afgelegenheid weinig gemeenſchap met de Steden hebben, niet anders dan werktuiglijke en als bij inſtinct handelende wezens zijn; menſchen, die ſchier niets van de menschlijkheid bezitten, dan de uitwendige gedaante: ja! men mag met recht een' Majorijſchen Boer of Weever een Uurwerk noemen, dat alleen door den Priester opgewonden word. Ik heb onder de Boeren in de Majorij ſchepſels gevonden, die zóó verſchriklijk dom en onweetend waren, dat ik er over verbaasd ſtond, zoodanig, dat zij mij de eenvouwigſte vraagen, die men elders aan Kinderen, die pas beginnen

te