Pagina:Tweede reize door de Majorij van 's Hertogenbosch.pdf/211

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

(191)

roepen en kermen, dat ik daarïn hoorde, bewoogen wierd, om 'er in te treeden. Ik vond dan dit deerniswaardig ſchepſel op een vuil en afſchuwlijk Bed liggen, zonder dat de Huisgenooten zich veel om haar ſcheenen te bekommeren. Men zeide mij: dat die Vrouw reeds eenigen tijd zoo gelegen had, en dat men 'er al wat Vliermelk en dergelijke voor gekookt had; maar dat het niet beterde, en dat men nu niet meer wist, wat 'er aan te doen. – Ik vraagde hen, of zij er met geenen Doctor of Chirurgijn over geſproken hadden, en bekwam, tot mijne groote verbaazing, ten antwoord: dat de Doctor daar eenige uuren van daan woonde; dat het veel geld koste, als men dien liet komen; en dat zijne Moeder (het was de Zoon zelf, die mij dat zeide) oud zijnde, en zonder hoop op beterſchap, het niet raadzaam ware, dat men die onkosten maakte. Ondertusſchen liet het zich uiterlijk aanzien, en ik wierd naderhand ook onderrigt, dat die Boer nog al redenlijk wel bemiddeld was. Ook ſtond er een Crucifix, een paar gewijde Kaarſen en een flesch met Wijwater en gewijde Palm; 'er hingen ook verſcheidene beeldtenisſen van Heiligen aan den Wand, ten blijke, dat de Boer en zijn Huisgezin getrouwe Katholijke Christenen waren.

Dergelijke voorbeelden van vergaande liefdeloosheid zijn in deeze verwaarloosde Landſtreek zeer algemeen, [Ik geloof, zoo ver ik uit alles, dat ik op mijne Reize heb waargenomen, kan oordeelen, dat de geëerde Zender deezer Charak-

ter-