Pagina:Tweede reize door de Majorij van 's Hertogenbosch.pdf/213

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

(193)

deeze voor de Maatschappij zoo ſchadelijke Wezens, (waarönder omtrent één zesde Monniken van allerlij koleuren, die zeker de allerſchadelijkſte zijn) bekleeden in de Majorij de Posten van zoogenoemde Pastooren en Kapellaanen. Ik noem hen in het algemeen ſchadelijk, want zo 'er alleenige weinige redenlijke menſchenvrienden onder hen gevonden worden, zal hun getal zeer gering zijn, [echter zijn 'er zeker eenige braaven onder, welke minder bijgeloovig en meer verdraagzaam dan andere onder hunne Ambtgenooten handelen, doch ik geloof ook, dat zij het kleinst getal uitmaaken.]

Het zoogenoemd Patriotismus der Majorijënaars, dat, in het begin deezer Omwenteling, nog al vrij wat gerucht gemaakt heeft, beſtond in niets anders dan dweepzucht en onredenlijk eigenbelang; men verbeelde zich toen eene agtſte, in zich zelve Souveraine, Provincie, waarïn der Roomſche Religie de vrijë teugel zou gevierd worden, te zullen uitmaaken; men vertrouwde op de afſchaffing der Tienden, Tollen, enz. Dit alles niet genoegzaam aan de verwachting beäntwoordende, is de Majorijënaar misnoegd en zijn ellendige domme revolutie-geest uitgedoofd. [Ik geloof, dat de Schrijver hier zeer juist den Spijker op den kop getroffen heeft].

Deeze Anti-republikeinſche geest heerscht bijzonder in die Plaatzen, alwaar Brabandſche Monniken of Klooster-Geestlijken de menigte beſtuuren (en zoodanige Plaatzen zijn 'er in de Majorij veel). Deeze Monniken door de Franſchen uit

hun-
N