Pagina:Tweede reize door de Majorij van 's Hertogenbosch.pdf/214

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

(194)

hunne Kloosters of Abtdijën verjaagd, en hunne goederen verbeurd verklaard zijnde, ademen niets anders dan haat en vloek tegen de Franſchen, hunne Bondgenooten, en derzelver Staatkundige beginſels. Ieder, die ſlechts een weinig met den onbepaalden invloed van die zoogenoemde Herders op hunne kudde bekend is, beſeft ligtlijk, dat die zelfde geest, die hen bezielt, zonder moeite in hunne Leeken overgaat, en alzoo een groot aantal dier menſchen verpest, voor de Maatſchappij onbruikbaar ja! ſchadelijk gemaakt worden. – De Keizer wederöm meester in Braband, en daardoor, het koste ook wat het kost, de Kloosters en Abtdijën herſteld te zien, is de eenige wensch dier Dweepers en Huichelaars; en men houde zich verzekerd, dat, konden zij deeze Republiek tot dien prijs verraaden en verkoopen, zij daarömtrent geen oogenblik aarſelen zouden; moord, roof en verwoesting, noch geene gruwelen hoe ook genoemd, zouden hen dan afſchrikken; men herinnere zich ſlechts den laatſten opſtand tegen Keizer Joseph II, toen de Geestlijken eene geheele Armée op de been bragten.

[Ik vertrouw, voor zoo ver mij de denkwijze der Roomſche Majorijënaars bekend is, dat de geëerde Zender mij de echte waarheid heeft opgegeeven; is 'er iets in het bovenſtaande, dat ſommigen wat ſterk ſchijnt uitgedrukt te zijn, men ſchrijve zulks toe aan den Zender en niet aan den Reiziger, wijl de laatſte woordenlijk het bovenſtaande ontvangen heeft. —

Ik