Pagina:Tweede reize door de Majorij van 's Hertogenbosch.pdf/215

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

(195)





Ik heb eenen brief ontvangen, getekend B. V. H., waarin het volgend waar geval (ik zeg waar geval, om dat andere, welker Brieven ik ontvangen heb, ook van hetzelve melding maaken, en het dus aan meer menſchen bekend is) hoofdzaaklijk verhaald word.]

Den 18 Febr. 1800. is te Bokſtel overleeden Mevrouw Lawick, gebooren Freule van Rede. Voor haar ſterven verzocht zij den Predikant van Vucht, om haar eene behoorlijke begraaving, evenveel waar haar Lijk ten grave gebragt wierd, te bezorgen. Die Predikant overweegende, dat de Kerk te Bokſtel reeds aan de Roomſchen had moeten overgegeeven worden, begreep ligtlijk, dat een verzoek aan de Dorps-regeering aldaar vruchtenloos zijn, of misſchien ongenoegen en oproer verwekken zoude, als hij vraagde, om Mevrouw Lawick in de Bokſtelſche Kerk te moogen begraaven, en beſloot dus het Lijk naar Vucht over te brengen, en het aldaar in de Gereformeerde Kerk bij te zetten, wijl die Kerk nog aan de Gereformeerden behoorde, zonder dat daar omtrent iets was beſlischt. Het graf en alles in gereedheid zijnde, wilde de Predikant het Lijk ter begraaving verzellen, toen de Gerechtsbode aan het huis van den Predikant kwam, zeggende: "Van de Regenten te zijn gezonden, om te vraagen: of zijn Eerw: recht had, om in de Kerk een Lijk te begraaven, en of dat graf zijn eigendom was?" – waaröp de Pre-

di-
N2