Pagina:Tweede reize door de Majorij van 's Hertogenbosch.pdf/217

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

(197)

Drost voorheên Meester Schoenmaaker, "indien Gij de begraaving al eens gedaan had, konde het ligtlijk gebeuren: dat Gij binnen weinige dagen het Lijk voor uwe deur zoudt vinden ſtaan." – Waaröp geäntwoord wierd: "Dat, zo de Regenten de toeſtemming wilden geeven, men het eens afwachten zoude, want dat zulk eene daad zeer groote gevolgen zoude kunnen hebben." – Maar wie zou het gedaan hebben? Wralagde de Drost – de Dominé hervattede hieröp: "Dat hij met toeſtemming der Regenten het daaröp waagen zoude." – Maar de Preſident zeide: "Dat kan niet weezen! het graf moet weder toegemaakt worden." – Waaröp de Predikant antwoorde: "dat dat goed was, maar dat hij dacht het open te laaten, tot hij over het geval, in 's Bosch, had raad gepleegd." Hieröp zeide de Preſident: "Het graf moet morgen voor den middag toegemaakt zijn; wij zullen 'er iemand bij zetten, om te zien dat het geſchied." – De Predikant gaf ten antwoord: "Het zal geſchieden. – Ik zal order geeven aan den Metſelaar, en dan kunt Gij 'er bij zetten, zoo veelen Gij wilt." – – De Predikant heen gaande, ontmoeteden hem drie jonge Knaapen, welke al ſpottende zeiden: wij zullen ze wel begraaven! – Hij verzocht en verkreeg daaröp van den Hoogſchout te 's Bosch verlof, om het Lijk aldaar in de St. Jans-kerk te begraaven, gelijk ook geſchied is. – Men zegt: dat de Predikant van de Schepenen weggegaan zijnde, verſcheidene Menſchen in de Kamer

zijn
N3