Pagina:Tweede reize door de Majorij van 's Hertogenbosch.pdf/220

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

(200)

lijk: dat de Decreeten der Wetgeevende Vergadering zeggen, dat het eigendom der graven blijft, en het recht, om in die graven te blijven begraaven; dus moet bij iedere begraving van een Kettersch Lijk de Kerk ontheiligd worden, en die 'er in zijn niet moogende worden uitgeruimd, kunnen zij 'er den Dienst niet in verrichten, volgends de Leer van hunne eigene Kerk. – – [Hoeveel valt hier niet bij aan te merken – ! Hoe veel ſtof tot overdenking kan uit deeze woorden voor elken belijder van den Proteſtantſchen Godsdienst worden opgezameld! – Zou men hier niet moogen vraagen: Wat kunnen Wetten gelden, als de bekrachtiging afhangt van het Opperhoofd eener Kerk? – Is een Godsdienst voor- of nadeelig voor eenen Staat, wanneer een ander, die geene betrekking altoos op zulk of zulk een Land heeft, de Wetten aan de belijders van zulk eenen Godsdienst voorſchrijft, en men die Wetten blindlings gehoorzaamt? – Wat is 'er te wachten voor andere Godsdienſten, wanneer één Godsdienst, die volgends zijne aangenoomene Leerſtellingen anderen verdoemt en verkettert, de bovenhand tracht te krijgen, en wanneer 'er geen paal en perk geſteld word, dat de magt van zulk eenen Godsdienst in toom gehouden word?? Moet aan het Opperhoofd van eene Kerk de magt gelaaten worden, om maar, waar het wil, onbepaald over de conſciëntiën van anderen te heerſchen? Moet de opvolging of nietopvolging van Wetten afhangen van iemand, die 'er niets mede te maaken heeft? Zullen, op het

ge-