Pagina:Tweede reize door de Majorij van 's Hertogenbosch.pdf/222

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

(202)

Aan vier andere Zenders ben ik het volgende, het geen ik bij mijne Reize in de Majorij niet vernomen had, of na mijn verblijf in dezelve aldaar is voorgevallen, verſchuldigd. Ik zal het zelve alleen maar kortlijk aanstippen; ieder kan 'er uit zien, dat ik nog lang alles niet heb opgezameld, en derhalven dat ik het Charakter, den Godsdienst-haat, en de Vervolgzucht der Roomſche Majorijënaars nog met al die zwarte verwen niet getekend heb, zoo als dezelve verdienden.)

Te Oorſchot heeft men het eigendom der Gereformeerde Diäkonie geëischt, om dezelve met de Dorps – armen-kas te verëenigen.

Te Zoerendonk overleed een Hervormde, vier Kinderen nalaatende; de Diäkonie had niet genoeg, zelfs om maar één Kind te onderhouden, men verzocht onderſtand bij de Regeering uit de Algemeene Armen-kas, die zoo wel aan Hervormden als Roomſchen behoort, doch deeze weigerde zulks. Dit zit nog zóó. – Andere Diäkonieën ſpringen nu bij, om die arme ongelukkige Weezen niet van honger te laaten omkomen.

Te Leende hielden de Jongens onder den Godsdienst altijd een zeer groot leven in de Kerk. – Sommige banken wierden vernield. – Een enkel boos mensch brak in de Kerk, verſcheurde den Bijbel op den Predikſtoel, en ſmeet hem op den grond;

grond