Pagina:Tweede reize door de Majorij van 's Hertogenbosch.pdf/227

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen
( 207 )

verbaast, zeide: Maledicita Bakel[1], en vraagde wijders: "Of 'er in dat Land ook Christenen waren, en of hij zelf een Christen was?" zulks met ja! beäntwoord zijnde, was de verdere vraag: "Of men aldaar eene Godheid geloofde?" het antwoord was eensgelijks: ja! Eindelijk deed de Paus de vraag: "hoeveele Goden 'er waren?" en de Bakelſche Boetling antwoorde: "Vier! naamlijk: De Vader, de Zoon, de H. Geest en zijne Heiligheid, onze Heere God de Paus." De Paus, opgetogen over deeze verhevene geleerdheid en diepe kunde, riep juichend uit: Benedicta Bakel![2] en gaf den Poenitent, op die luisterrijke Belijdenis, de Abſolutie. Zie daar eene Anekdote! die ik in mijne kindsheid reeds meermaalen gehoord heb, doch voor welker echtheid ik niet kan inſtaan. – Zij levert een bewijs echter op van der Roomſchen ſchoone Godgeleerdheid.

Ik heb U bijna vergeeten te melden, dat men te Nunen, bij de begraaving der dooden onder de Roomſchen, de Lijkſtaatſie bijwoont met Waschkaarsſen in de hand, en die zoo openlijk langs de ſtraat draagt tot ergernis der Proteſtanten, die zelfs moeten zien, dat dit, ja, waarlijk! ook geſchied door Municipaliteits-Leden,

[Den geëerden Opſteller deezer Bijdrage en aartige Anekdote betuig ik openlijk mijnen hartgrondigen dank. Ik wensch, dat zijn E. mij verder met zijne briefwisſeling verëere.

Ik
  1. Vervloekt zij Bakel!
  2. Gezegend zij Bakel!