Pagina:Tweede reize door de Majorij van 's Hertogenbosch.pdf/35

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

(15)

ligste schepsels van den geheelen aardbodem, hij is volstrekt niet vatbaar, niet gevoelig voor het groote en schoone in de lieve natuur, en eene opgaande Zon bij eenen schoonen lente- of zomermorgen, roert hem veel minder dan het kraaiën van zijnen haan, die hem 's morgens ten arbeid roept. – Met mij was het geheel anders gelegen. – Ik was (laat mij dit eens zoo uitdrukken) geheel gevoel. – Onder het wandelen herinnerde ik mij deeze uitmuntende woorden uit de Morgengedachten van eenen Landman, welke ik onlangs in een Hoogduitsch werkjen[1] las:

 Schöner morgen! alle kräuter blitzen!
 Morgenroth erhellt der bäume spitzen,
 Ringsum hebet lust und arbeid an:
 Wie die Spinne hier so fleiszig webet,
 Dort die schwalbe flink am dache schwebet.
 Ach ich bin ein hochbeglückter man,
 Dasz ich alles das empfinden kann!

Onder het wandelen nam ik mijn potlood en een stukjen papier in de hand. – Waagde het om deeze verssen in Nederduitsche dichtmaat over te gieten, en zie hier, hoe ik dezelve, schoon mijne vertaaling zeer ver voor het oorspronglijke in schoonheid wijken moet, van verre gevolgd heb:

"Schoo-

  1. G. W. C. Starke, Gemälde aus dem hauslichen leben und Erzählungen, III, Sammlung, Seite 108.